Posts tonen met het label democratie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label democratie. Alle posts tonen

vrijdag 7 juli 2017

EUROPA VOORUIT (L’EUROPE EN MARCHE!)



Is er een weg naar een ‘lichte’ naast een ‘zware’ EU?

Met de verkiezing van de nieuwe Franse president Macron, een ware Sunny Boy,  is er voor het eerst sinds lange tijd de hoop van een voortvarend leiderschap in het hart van Europa. Maar welk hart precies, en – als het erop aankomt – van welk Europa?  Sinds het begin van de jaren vijftig zijn verschillende concepties van Europa ontstaan die de hoedanigheid van Europa in onze tijd sterk ongewis hebben gemaakt.


Er zijn ten minste drie gestaltes – of verdragssferen - van Europa (zie afbeelding), die bij nadere beschouwing een lappendeken vormen, vervuld van grote tegenstrijdigheden en niet opgeloste conflicten, bijvoorbeeld op het gebied van mensenrechten, welvaart en gelijke kansen (Hongarije, Griekenland), rechtstaat en democratie (Rusland, Hongarije, Turkije). Het gaat ook om landen die wij als westers Europees burger met geen mogelijkheid ‘Europees’ kunnen noemen.

Hoe anders is dit ‘Europa’ van het Europa van vóór 1914? Ik heb hierover een persoonlijk getuigenis van mijn eigen grootmoeder, die Amerikaanse was, en die rond 1911 voor het eerst, als jonge getrouwde vrouw, met dat Europa kennismaakte. Zij herinnerde zich een Europa van grote gemeenschappelijkheid, van Londen naar Wenen, van Amsterdam naar Moskou..ja, zelfs tot in Istanbul. Moderne treinverbindingen – waaronder de Oriëntexpres - speelden hierin een belangrijke rol.

In de nasleep van WO I werden de eerste breuklijnen getrokken die nadien nooit werkelijk geheeld zijn. Het was vooral die oorlog – en veel minder WO II - die ons continent politiek en cultureel verdeelde. En wat is dan nu, honderd jaar later, in deze tijd, ‘ons’ Europa? Ik vrees dat op deze vraag even zoveel antwoorden kunnen worden gegeven als ons continent inwoners kent. Dit is wel bijzonder ironisch omdat wij juist in onze tijd beschikken over ongekende nieuwe verbindingen. *)

Na WO II is er een andere prominente eenheid ontstaan, of ten minste het besef dat wij daartoe behoren, namelijk dat van de Westerse wereld. Europa plus Amerika, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Alle het product van de Europese blanke mens. Wij willen in onze tijd vooral dààr toe behoren. Maar hier wringt zich onmiddellijk een schoen. Amerikanen zien ‘westers’ vooral Angelsaksisch, en dat geldt niet minder voor de Britten, die dit bovendien nog eens hebben onderstreept door hun eigen breuklijn te trekken met het Europa van de EU. “Westers” zijn wij met elkaar misschien nog in de NAVO, maar daarvan is ook Turkije lid, dat westers noch Europees is, ja met de dag minder.

Landen zoals Nederland (de Benelux), Denemarken en – merkwaardig genoeg – ook Ierland worden nu door toedoen van Engeland en met het sterk eigengereide Amerika van Donald Trump teruggeworpen op een zuiver continentaal Europa, een toneel waarmee zij zich in de geschiedenis altijd enigszins ongemakkelijk hebben gevoeld, met name door het (dominante) optreden van Frankrijk en Duitsland. Beide landen spelen opnieuw – of nog steeds – een sleutelrol in de voortgang van die geschiedenis.

Het wegvallen van de hegemonie van de (voormalige) Sovjet-Unie in het oostelijk deel van Europa heeft weliswaar geleid tot nieuwe Europese verbondenheid, maar ook in dit opzicht is sprake van ambivalente en schuivende loyaliteiten. De inwoners van de Baltische staten, die zich ogenschijnlijk dapper in het Europa van de EU én van de euro hebben gestort, zijn niet volop, van harte, Europees en dit wordt met de huidige generatiewisseling ternauwernood anders, of het zijn talloze jongeren die hun heil elders, in West Europa, zoeken en zich om hun eigen land niet meer bekommeren.

Stelselmatige immigratie vanuit niet-westerse landen voegde een nieuw aspect toe aan de – sociale, politieke en culturele – lappendeken die Europa, zoals aangegeven, uit zichzelf al is. Van alle ongemakken zijn de gevolgen hiervan voor velen nog het moeilijkst te verteren. Anders dan bij immigratiegolven in vroeger eeuwen (die natuurlijk hoofdzakelijk uit Europa zelf kwamen) is sprake van een hardnekkige stagnatie in de sociale en culturele absorptie (assimilatie) van de betrokken – met name Turkse en Marokkaanse – bevolkingsgroepen.  Internationale ontwikkelingen, inclusief de herleving van religieus fanatisme, trekken diepe scheuren in onze gemeenschappen. Zij voeden een wederkerig mentaal isolement van sexisme, fanatisme, racisme, met toenemende agressiviteit en zelfs ernstige gewelddadigheid. Hoe maken wij hiervan alsnog een Europa met minimaal gedeelde waarden? (**)

Maak de eurozone een krachtige regio (“harde EU”)

Het Europa van de euro raakt ons dagelijks en is voor Nederlanders het meest cruciaal op dit moment. Klapt de euro-economie, dan houdt voor ons alles op. Tussen de eurolanden is het daarom zaak de losse rafels snel aan te pakken. We moeten sterker met elkaar verbonden worden. Niet met nog meer regels en sancties maar in onze intrinsieke euroverbondenheid. Te veel overheersen de rekenmeesters van de Europese Centrale Bank, zonder samenbindend gezag en zonder gedeelde visie op onze rol als ‘eurogroep’ in het krachtenspel van de wereldeconomie. Dat hieraan tevens een sterker democratisch element gekoppeld dient te worden in de vorm van een euro-parlement (als aparte sectie van het EU parlement), lijdt bij mij geen twijfel. Ook lijkt het mij logisch dat dit gepaard gaat met een versterkte publieke c.q. parlementaire verantwoordingsplicht van de raad van ministers van de eurolanden. De verworvenheden van de huidige EU dienen voor de eurolanden onverkort gehandhaafd te blijven. Voorlopig wordt – in deze opzet - de eurozone niet uitgebreid (zie de met groen aangeduide landen) en wordt alles in het werk gesteld om Griekenland er bij te houden.

Essentieel is dat de landen van de Europese muntunie gezamenlijke ambities formuleren ten aanzien van de belangrijkste opgaven in onze tijd: klimaat, energie, migratie en bevolkingsontwikkeling, sociaal en fiscaal beleid, en dat zij die ambities voortvarend uitdragen in de grotere wereldgemeenschap.

Saneer de huidige – grote – EU tot een sobere (“zachte”) Europese (markt-)gemeenschap

Reeds enige tijd staat deregulering hoog op de agenda van de EU, maar het is een uitzonderlijk taai proces met tal van belangenconflicten. De gedachte aan een ‘zachte’ EU (minder regels c.q. verplichtingen) is intussen actueel geworden in de discussies rond de Brexit, al heeft deze in veler ogen vooral de geur van “niet de lasten, wel de lusten”.  Dit is natuurlijk geen redelijk uitgangspunt. Lusten en lasten dienen over het geheel genomen steeds in evenwicht te zijn. Veeleer zou dienen te worden gekeken naar de condities en voorzieningen die thans gelden voor landen met een associatieverdrag met de EU (w.o. Noorwegen, Servië). Welke aanvullende voorzieningen zijn dan nodig voor een minimaal toereikend lidmaatschap van de EU? En zou dit een EU kunnen zijn waarvan ook Engeland lid wil blijven?

Ik werp dit alles enkel  op bij wijze van gedachte-exercitie: een sterk afgeslankte  - of sterk versoberde – ‘grote EU’, en een kleine kern: de ‘harde EU’ van de muntunie. Om Europa sterk te maken moeten wij misschien een stapje terug en naar voren tegelijk. Dat is de achterliggende overweging.

Onze identiteit als Europeanen

Maar al deze denkbare herschikkingen in schaal en verantwoordelijkheid van de samenwerking in Europa laten de vraag naar het diepere wezen van Europa en dus ook van onszelf als Europeaan onbeantwoord. Deze vraag is eens te meer pertinent in een tijd waarin populistisch nationalisme sterk overheerst in het publieke (media)geluid en waarop tot nu geen overtuigend – dat wil zeggen: beslissend – weerwoord is gegeven. Zeker zijn verwijzingen naar het verleden, twee Wereld-oorlogen of meer in het algemeen de geschiedenis van rivaliteit en conflict tussen de grotere Europese mogendheden van destijds geen zinvolle respons.  Jongere generaties hebben hiervan geen levende voorstelling en verlangen – in mijn ogen terecht – een antwoord dat gericht is op – en inspiratie biedt voor - hun toekomst.

Want is immers voor onze identiteit als Europeaan zo’n land als Griekenland (de Grieken als volk) niet verschrikkelijk wezenlijk. Dat is toch meer dan alleen geschiedenis? ***)

En geldt dit niet eveneens voor Amerika en Canada? Dus ook voor Engeland? We moeten ons werkelijk afvragen of wij Engeland op deze manier uit Europa mogen laten stappen. Misschien hebben juist wij als continentaal Europa de verantwoordelijkheid om de brug naar Engeland terug te slaan. Op dezelfde manier zou Europa ook naar Amerika – het Amerika van Donald Trump – de hand reiken: kunnen wij Trump helpen? Of Putin met zijn Rusland?

Het lijkt mij vervolgens dat wij in de ‘grote’ EU meer doelgericht kunnen werken aan onze identiteit, dat wil zeggen de waarden die de EU vertegenwoordigt ten aanzien van thema’s zoals duurzaamheid, (religieuze) vrijheid en tolerantie, samenwerking en vriendschap (inclusief conflictbeheersing), en niet te vergeten veiligheid. De EU dient ook een defensie-unie te zijn, zo nodig met het gelijktijdig relativeren van de betrekkingen in de NAVO. Heel concreet: ja, we moeten meer offers brengen voor onze militaire capaciteit en paraatheid, maar niet per se ter bevrediging van de verlangens van de VS.

De aanhoudende stroom vluchtelingen aan de zuidflank van Europa is de meest actuele – en dringende – testcase in deze tijd voor wie wij zijn als Europeanen. De aarzelende reactie van verschillende EU-lidstaten op het verzoek van Italië om hulp bij het opvangen of kanaliseren van vele duizenden migranten stemt in dit verband niet tot optimisme. Los hiervan zal hert vooral gaan om de bijdrage die de EU-landen bereid zijn te leven aan de verbetering van de omstandigheden in (noord-) Afrika.

De positie van Nederland

Wij hebben als Nederland in Europees verband en ook daarbuiten unieke mogelijkheden om nieuwe bruggen te slaan. Dat vraag evengoed een ambitieuze, grensverleggende opstelling. Het is daarom te hopen dat het komende politieke seizoen, met een nieuw kabinet, hieraan een flinke impuls geeft.

Voetnoten

*) Zie mijn verhaal over de moderne telecommunicatie:  We communiceren meer maar we maken ook vaker ruzie


***) Stellig is voor mij Griekenland ook toekomst, al was het omdat mijn kleinzoon een half-Griekse vader heeft. 

woensdag 15 maart 2017

CHAOS? INTEGENDEEL. NEDERLAND STEMDE GEMATIGD



Totale versplintering is uitgebleven 

Wie, zoals ikzelf, de chaos voorspelde kan na 15 maart opgelucht ademhalen. Niet alleen is sprake van een overtuigende steun voor het voortgezette leiderschap van Rutte, ook heeft de kiezer heldere aanwijzingen gegeven voor de noodzakelijke koerscorrecties in het regeringsbeleid. Van groot belang voor Rutte zelf is dat hij hiervoor aan tafel kan met partijen die alleszins Regierungsfähig zijn. Splinterpartijen en schreeuwlelijken zoals Wilders kunnen voor de kabinetsformatie royaal gepasseerd worden.

Opmerkelijk zijn vooral de uitslagen van de typische middenpartijen D66 en het CDA, die daarmee de eerst aangewezen gesprekspartners zijn voor de VVD. Het is naast de overwinning van de VVD de tweede trofee die Rutte binnenhaalt.

Ronduit dramatisch zijn de krimp én de aardverschuiving op links (PvdA, GL, SP). Van 24% naar 15% van het electoraat, met Groenlinks die als in een landslide de PvdA en SP overtuigend achter zich laat. Wat dit op langere termijn betekent valt nog te bezien. Het lijkt mij echter dat naast de PvdA en de SP ook Groenlinks niet aan een fundamentele herbezinning op de kernwaarden van ‘links’ ontkomt.

De majesteit kan rustig blijven skiën of bier drinken. Het mag dan niet een hele eenvoudige formatie worden, buiten discussie staat de continuïteit van Rutte (en dus de VVD) in de hoofdlijnen van het regeringsbeleid. Interessant worden natuurlijk de koerscorrecties. Van wie gaan deze komen? De grote vraag zal zijn welke partij het gat gaat vullen voor de meerderheid: wordt het Groenlinks of wordt het Kleinrechts?

De splinterpartijtjes blijven een marginaal verschijnsel, en dat geldt ook voor de stagnerende PVV. Hun blijvende aanwezigheid in ons parlement, inclusief een meer uitgesproken stem van allochtonen (DENK) zie ik als positief, want als een waarborg voor de blijvende waardigheid van onze democratie.

zondag 5 maart 2017

IK BEN OM: IK GA VOOR DE GEKOZEN PREMIER



Wanneer journalisten klagen over de oersaaie en weinig inhoudelijke campagne voor de a.s. Tweede Kamerverkiezingen kan ik ze slechts gelijk geven. Maar dat dit zo is kan ten minste ook aan hun zelf worden verweten. De voortdurende uitvergroting door de media van onbenulligheden, zoals het optreden van allerlei splintergroepjes, werkt dit in de hand. De serieus politiek geïnteresseerde burger weet zo langzamerhand niet beter dan dat zich in en rond ons parlement enkel nog treiterkoppen ophouden, etters á la Wilders, die maar niet van ophouden weten met de onzin die zij uitkramen. De ‘fact checks’ – die meer op een hype lijken dan op serieuze kritiek – hebben geen enkel effect.

Dat wij nu tevens – opnieuw (na Paars I en II) - het grote nadeel ervaren van een vierjarige kabinetsperiode waarin de VVD en de PvdA met elkaar hebben samengewerkt, blijft daarbij sterk onderbelicht. Fundamentele verschillen in uitgangspunt zijn weggegomd, verwaterd, brak geworden en daarmee ongeschikt als voedsel voor enigerlei inhoudelijkheid in de campagne. Wat overblijft is pure mannetjesmakerij: allemaal zogenoemde kandidaat-premiers die de populariteitswedstrijd willen winnen.

De onderliggende realiteit, die van het breed gedragen burgerlijk ongemak, kan echter niet worden weggeschreven. Die is serieus genoeg. De partijen hebben hieraan tijdens de campagne niet of nauwelijks effectief kunnen beantwoorden. Ook het louter elkaar aftroeven tijdens TV-debatten heeft iedere intentie in die richting totaal overvleugeld.

“Het gaat vooral om de houding van de lijsttrekkers”
(een Nederlands kiesgerechtigde)

Maar inderdaad, het is zaak deze ontwikkeling serieus te nemen. Populisme is een feit. Media-afhankelijke populariteit evenzeer. Serieus is ook het feit dat politieke partijen steeds minder het exclusieve vehikel zijn voor ontwikkeling en training van politici. Dit al helemaal nu de traditionele (historische) fundamenten van de meeste partijen verworden zijn tot drijfzand.

Dat laatste geldt ook voor de fundamenten van ons staatsbestel. Nergens in de Grondwet staat dat een partijleider of lijsttrekker per se premier moet zijn. Veel van onze beste premiers kwamen van buiten het parlement, soms zelfs van buiten de inner circle van de politiek. Het gaat om ons parlement. De regering die moet worden gevormd is een ander vraagstuk. Beide moeten weer uit elkaar gehaald worden.

Het is beter dat wij accepteren dat het zo is: ons parlement wordt een volkstribunaal. Allemaal ego’s bij elkaar die om het hardst schreeuwen. Hopelijk bevinden zich nog onder hen nog enkele verstandige bekwame mensen. Maar het versplinterde parlement dat ons wacht zal niet meer geschikt zijn als directe – of exclusieve - basis voor de regeringsvorming.

Deze vaststelling brengt mij op de gedachte om bij de parlementsverkiezingen ook de verkiezing te voegen van de premier. Kandidaten kunnen partijleiders (lijsttrekkers) zijn, maar zij kunnen zich ook van buiten kandidaat stellen met een wettelijk bepaald aantal handtekeningen. De gekozen premier stelt een kabinet samen zonder de voorwaarde van instemming van het parlement. Wie de premier wil afzetten moet een procedure volgen die sterk lijkt op de Amerikaanse “impeachment”. Ministers kunnen naar gelieven door het parlement naar huis worden gestuurd. Hiermee wordt zeker gesteld dat concrete daden van beleid door het parlement kunnen worden afgestraft.

Laten wij met ons allen dit debat maar eens voeren: het debat over de gekozen premier. Een semi-presidentieel systeem met behoud van ons onschendbare staatshoofd. Het is bijna alsof de oud-Nederlandse republiek alsnog gedemocratiseerd wordt.

zaterdag 18 februari 2017

OOK ONS TIJDPERK KAN BEZWIJKEN AAN ZIJN VOORUITGANG



Ik opgegroeid in de jaren ’60, in een wereld van optimisme en voortdurende innovatie. De jaargangen van de automodellen bepaalden mijn tijdrekening. Wij hadden een zonnige kijk op de toekomst en deze kon niet spannend genoeg zijn. Ik heb al eens eerder geschreven over de geschiedenis van onze toekomstverbeelding en de magie van – de gedachte aan – het jaar 2000.

Onze wereld maakte een welvaartssprint na de periode van de naoorlogse wederopbouw. Dit ging ook met tegenstellingen gepaard (Oost – West), maar daarin waren scheidslijnen duidelijk én fundamenteel. Debatten waren inhoudelijk en principieel. Onrust was er vooral door de aanstormende jeugdcultuur die flink aan de poten zaagde van de – toen – gevestigde orde. Het was een vrolijk en lawaaiig proces van generatiewisseling dat bij ons zelf enkel romantische herinneringen oproept.

Europa werd opgetrokken, als eenheid voor het eerst in de geschiedenis. Uiteindelijk kwam er zelfs een Europese munt, wie had het durven dromen? Meer dan zeventig jaar vrede in ons werelddeel: het is nog nooit vertoond. Wij hadden leiders – in een werkend democratisch bestel - die hun verantwoordelijkheid namen.

Opnieuw zijn de grenzen bereikt van de heersende orde. En als het alleen daar om ging, zou het nog meevallen. Er is natuurlijk meer aan de hand. We hebben ook de grenzen bereikt van ons vermogen tot duurzame welvaartsontwikkeling. De plussen in onze huidige economie zijn niet meer dan een laatste stuiptrekking van een nagenoeg uitgeputte economische orde. Financiële macht en politieke verantwoording lopen te ver uiteen. De grenzen aan de groei (we zeiden het al in 1972), de grenzen aan onze schone lucht (CO2 toename), grondstoffen en vooral brandstoffen zullen ons op enig moment definitief op de knieën dwingen.

Dit alles leidt tot grote rommeligheid in de publieke ruimte. Populisme ontstaat wanneer knellende omstandigheden ons boven het hoofd groeien. Het voedt zich met de weerstand die velen koesteren tegen intellectuele oefening, tegen diepgang, tegen academische reserve en kritische beschouwing. Het is allemaal te complex. Populisme is simplisme. Nog even, en wij worden – niet voor het eerst in de geschiedenis – geregeerd door de terreur van de onderbuik. 

Nu krijgen zogeheten leiders de kans die feiten aan hun laars lappen en die openlijk hunverantwoordelijkheid miskennen. Zelfzucht en egotripperij vieren hoogtij. Zij brengen ons geen stap verder, eerder het tegendeel. Zelfs is er nu een Amerikaanse president die pijplijnen laat aanleggen ter wille van “the old days”. Onze wereld loopt hiermee grote risico’s. De complexiteit en onderlinge verbondenheid van de opgaven waarvoor wij staan zijn daarvoor te aanzienlijk. 

We moeten ons niet laten misleiden. Want het zijn inderdaad slechts stuiptrekkingen. Het beeld doemt op van een wereld die aan de vooravond staat van zijn Apocalyps. De angst voor verandering en de weerstand tegen complexiteit of eigenlijk alles dat indruist tegen de oude vertrouwde spruitjeslucht zorgen er ten slotte voor dat het hele naoorlogse bouwwerk van vrede en welvaart in elkaar stort. Maar ik ben geen doemdenker. Nog kunnen wij het tij keren. Dat dit alsnog een revolutie vergt van enig formaat doet hieraan niet af. Rustig zal het voorlopig niet worden. Het plebejisch rumoer dwingt tot nadenken en misschien opnieuw tot opstaan. Dat laatste wil ik graag nog neemaken. 

woensdag 9 november 2016

EEN NIEUWE HEERSCHAPPIJ VAN DE ONDERBUIK




We hebben het in de afgelopen eeuw eerder meegemaakt dat gevoelens van de onderbuik het overnamen van wat tot die tijd gold als common sense. In combinatie met een gebrek aan tijdige onderkenning - en érkenning – bij de heersende (of invloedrijke) elite leidde dit tot desastreuze gevolgen. De twee momenten die mij in dit opzicht voor ogen staan zijn het begin van de Grote Oorlog in 1914 en de overwinning van de Nazi’s in 1933 in Duitsland.

De onderbuikgevoelens van 1914 waren niet die van het volk maar van degenen die de hoogste posities bekleedden: de keizers vooral. Daarom noem ik de oorlog die zij ontketenden de Laatste Keizeroorlog. Geen enkele zinnige rationaliteit dwong Wilhelm II van Duitsland, noch diens evenknie in Oostenrijk-Hongarije tot militaire represailles, laat staan oorlogsdreiging na de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand. De ‘dilettante entourage’ van Wilhelm II deed er nog een schepje bovenop. Het waren allemaal rancunes en gekwetst eergevoel die de gewone man tot de wapenen riepen. Godzijdank verdwenen de keizers van het toneel, al was daarvoor een rampzalige oorlog nodig waar niemand te voren om had gevraagd.

Het is tragisch dat in 1919 opnieuw rancune en eergevoel de termen dicteerden die Duitsland op de knie moesten brengen, met dank aan Frankrijk en de zwakke knieën van Engeland en Amerika. Hitler wist – mede in het kielzog hiervan - op vergelijkbare wijze het Duitse volk op te zwepen tot een soortgelijk  irrationeel handelen in de vorm van een hernieuwd rampspoedig offensief in heel Europa. Het is vooral de grootheid van Trumans Amerika geweest die een hernieuwde wraakneming jegens Duitsland afwendde en omzette in een grootscheepse renovatie van Europa. In de daaropvolgende decennia heerste het rationele denken zoals dit in de geschiedenis nog nimmer had gedaan.

Maar de rationele heerschappij van vooruitgang, technologie en internationale samenwerking heeft niet geleid tot het volstrekte paradijs. Wij beleven nu verschillende ernstige tekortkomingen, ja zelfs de absolute grenzen ervan. Tegen die achtergrond is het zelfs de vraag of het in onze tijd niet gaat om de ene onderbuik – van het teleurgestelde volk – tegenover de andere onderbuik – die van de elite in haar eigen comfortzone. De afschuw waaraan velen uiting hebben gegeven na de overwinning van Trump is net zo min rationeel als de afschuw bij velen die hem in het zadel hebben bracht.

Hoe dan ook heeft de onderbuik van het Amerikaanse volk nu de macht gegrepen. We zouden kunnen zeggen dat dit is gebeurd op aanzienlijk meer vreedzame en bloedeloze wijze dan die andere grote onderbuikrevolutie, die bijna 250 jaar geleden plaatsvond in Frankrijk.

Het is belangrijk dat wij ook in Nederland de juiste lessen trekken. Daarin past geen zelfgenoegzaamheid of verontwaardiging bij de heersende partijen. De wereldvraagstukken – economie, grondstoffen, klimaat, welvaartsverdeling en machtsverdeling – vereisen grondige herbezinning bij iedereen. Wij zouden ons nog eens kunnen verbazen over de bijdragen die het Amerika van Donald Trump aan de beantwoording ervan kan leveren.

Zie ook mijn Engelstalige blogposting van augustus j.l:

woensdag 7 september 2016

WAT IS OOK AL WEER DE MONARCHIE VAN NEDERLAND




Ik ben heel positief – in grote lijnen – over het concept verkiezingsprogramma van Groenlinks, en ik kom er vast een keer op terug. Maar één ding moet mij van het hart. Wat is dat nou: “Nederland wordt een republiek”? Dit is zo jaren ’60. Waarom juist nu weer dat misverstand?

Mij lijkt dat monarchieën die wij nog hebben voor ons allemaal cruciaal zullen zijn in de eerstvolgende decennia. Zeker wanneer zij van het signatuur zijn van iemand als Koning Harald van Noorwegen, getuige zijn speech over onze multiculturele realiteit.Click to see and hear or read his words

De Noorse koning is “zuiver ceremonieel”, zo heet het. Is die van ons dat niet ook? Als het om het staatrecht gaat bevinden de Oranjes zich in volstrekt dezelfde positie. Het is alleen het Nederlandse volk dat hardnekkig blijft denken dat er meer is.

Mijn belangrijkste bezwaar tegen de gedachte is dat deze volstrekt overbodig en voor de rest enkel verwarrend is. Nederland is nog steeds dezelfde republiek met dezelfde touwtjes die de (meer of minder strakke) teugels waren van alle Oranje voorzaten.




De geschiedenis van Nederland is altijd dezelfde gebleven: die van onverenigd verenigde deltabewoners – Nederlanders genoemd – met opmerkelijke kwaliteiten. Door de eeuwen heen. Als dijkenbouwers en zeevaarders, altijd wel inventief (en innovatief) en een beetje vierkant. Kaaskoppen. Niettemin, Rembrandt, Van Gogh, Erasmus!

Laten wij vooral onszelf niets wijsmaken. Het is enkel het toeval van de geschiedenis waardoor het vooral internationaal verstandig was Nederland de status te geven van monarchie. De grondwet werd direct onder de deur van Willem I geschoven. Geen fratsen.

Het heeft niettemin de nodige ongelukkige Willems gekost voordat, dankzij koningin Emma, de Nederlandse monarchie haar nieuwe jasje kreeg. Sindsdien hebben wij staatshoofden van het huis van Oranje gehad die werkelijk naadloos – en formeel: volstrekt machteloos - op de geest van de tijd aansloten. Zoals ook nu weer. Koning Pils. Prima. Beter dan Koning gorilla, die vorige Willem.

Tenslotte: Oranje is een niet mis te verstaan handelsmerk van heel Nederland. Zouden wij dat Oranje werkelijk willen prijsgeven?

dinsdag 23 augustus 2016

ANGST VOOR DE TOEKOMST WOEDT ALOM




Maar wat is zo goed aan de wereld die we willen verdedigen
dwars tegen de volksgevoelens in?

Angst voor de toekomst zet de klok wereldwijd terug. In de Westerse Wereld woedt een valse nostalgie die alle verworvenheden van de laatste decennia bruut terzijde schuift. Weg met Europa, weg met de buitenlanders en terug naar onze spruitjesknusheid. Ja terug naar de Judeo-Christelijke wortels die ons de prominentie en de blanke welvaart verschaften waarin alles eenduidig was en niets hoefde te worden uitgelegd.

Het zijn de Nederlandse waanideeën van Wilders en de Amerikaanse nachtmerrie van Donald Trump. In elk geval is dit het sentiment van degenen die deze heren en hun gelijken elders steunen  en die dat vooral doen omdat zij verbaal lucht geven aan het brede onbehagen in onze tijd. De volksgevoelens inderdaad. Steeds meer mensen beseffen dat bepaalde dingen niet meer kloppen.

Op wereldschaal niet.  Mondiaal worden wij beheerst door  financieel-economische macht, politiek opportunisme en grove nalatigheid als het gaat om zorg voor onze duurzame toekomst.

En staat er iets tegenover, ik bedoeld werkelijk alternatief voor de misère waar populisme ons zal brengen? Hoe overtuigend zijn onze leiders in Europa en, in de VS Trumps tegenkandidaat Hillary Clinton? Geen van hen heeft daadwerkelijk iets voor de toekomst te bieden. Het blijft bij krachttermen (‘stronger together) – over en weer (‘kill the bitch’).

In een ander werelddeel zijn het degenen die hun wapens richten op onze wereld  - en op elkaar. Zij  zijn gevangenen van hun eigen geschiedenis en van hun hardnekkige weerstand tegen iedere verandering.  Wat is de toekomst die de Arabische wereld wacht nadat de olie op is en de woestijn droger dan ooit?

Maar laten we beginnen in eigen land. Ons politiek en staatkundig is niet meer in staat om de grote thema’s aan te pakken. We hebben ons allemaal, zo lijkt het, teruggetrokken in ons eigen tuintje. Het is al moeilijk genoeg.

Broodnodig zijn politici en wereldleiders die een visie ontwikkelen, weg van de waanzin, weg van de wapens en met volle blik naar de immense opgaven die ons allemaal wachten staan. Voor niemand waar ook ter wereld kom ook maar iets weer terug bij het oude.

zaterdag 15 november 2014

HET NEDERLANDERSCHAP REVISITED




Na het aanscherpen van de regels voor inburgering kon men de hoop koesteren dat het met de vernederlandsing van niet-Europese immigranten op den duur wel goed zou komen. Onder normale omstandigheden een proces van hooguit twee generaties.

Zo verliep het ook met de immigratie en assimilatie waarop Nederland altijd prat is gegaan. De wisselwerking vanaf de Gouden Eeuw tussen Hollanders, hun handelspartners en de frequent instromende groepen van immigranten, voornamelijk uit Europa, waaronder Joden. De sporen hiervan liggen diep verankerd in alles wat wij vandaag beschouwen als typisch Nederlands.

Maar de omstandigheden zijn voor ons al geruime tijd niet normaal. De immigratie is in de afgelopen decennia massaal geweest, en zij was afkomstig uit voor Nederland wezensvreemde cultuurgebieden, met bovendien een groot aandeel uit nauwelijks opgeleide bevolkingsgroepen, ja ronduit woestijnvolk.

Wij denken dat religie het grote splijtpunt is. Dit lijkt mij echter een hardnekkig misverstand. Wereldwijd is religie enkel een excuus voor het najagen van eigenbelang. Zo is het in de geschiedenis altijd geweest, of het nu ging om de kruistochten en zoals nu, de strijd die mensen uit de Arabische wereld wensen te voeren, tegen de hegemonie van het Westen en ook tegen elkaar.

De sympathie voor deze strijd onder degenen die Nederlander zijn wordt terecht gezien als een ernstig gegeven. Dit vooral omdat het niet gaat om recente immigranten maar om mensen, waaronder jongeren, die grotendeels behoren tot tweede en derde generatie Nederlanders.

Bij ons openbaart zich het al langere tijd sluimerende onvolkomen Nederlanderschap van significante delen van onze bevolking. Zij worden niet zozeer gedreven door de enkele weigering om daadwerkelijk volop Nederlander te zijn, maar vooral door hun actieve loyaliteit aan factoren (bewegingen, stromingen, concrete persoonlijke invloeden) buiten ons land.

Het signaal van minister Asscher ten aanzien Nederlandse Turkse organisaties met een dubbele agenda weerspiegelt slechts een topje van de ijsberg. Bij tal van andere groepen Nederlanders is sprake van een vergelijkbare ambigue loyaliteit. Mensen die zich willens en wetens laten (mis)leiden door een of andere leidersfiguur buiten ons land, vaak met religieuze connotaties, al zijn die bijzaak. Normaal gesproken behoren deze verschijnselen tot onze persoonlijke vrijheden. Dit wordt echter anders wanneer bovendien sprake is van misbruik van overheidsgeld ter wille van buiten ons land gelegen belangen.

De belangrijkste slachtoffers van deze misleiding zijn intussen onze allochtone Nederlanders zelf. Velen van hen worden onder druk gezet om geld te storten ten behoeve die zogenaamde leiders, of het geld dat hun toekomt wordt hun onthouden. Dit gebeurt in Islamitische scholen, waar bestuurders onderwijsgeld doorsluizen naar groeperingen zoals de Hamas, of het gebeurt in Moskeeën waar diezelfde (of vergelijkbare) bestuurders het geld van hun leden misbruiken voor oneigenlijke, buiten hun wereld gelegen doelen.

Minister Asscher doet er goed aan om dit bredere verschijnsel onder de loep te nemen en zich niet te beperken tot Turkse organisaties. Ons land herbergt talloze mensen met een Nederlands paspoort die niet werkelijk Nederlander willen zijn en die anderen in hun kielzog meeslepen. Datzelfde doen nu ook de Kamerleden Özturk en Kuzu. Zij hadden onomwonden het standpunt van hun fractie moeten volgen. Asscher had nog geen veroordeling uitgesproken, enkel een besluit tot verhoogde attentie op een punt waarover in ons land, ook bij deze heren, geen enkel misverstand kan bestaan.

De verklaringen van beide heren deze week beschouw ik als ronduit misleidend en beledigend. Anders dan zij beweren gaat het hier op geen enkele manier om “integratie en acceptatie”. Daarvan geven wij in Nederland ruimschoots blijk. Kern is de tegen-strijdigheid in de belangen die juist zij willen verdedigen. 

De “Allah verwensing” van Özturk is wel de grootste gotspe
ooit in ons eigen parlement uitgesproken.

Zien wij echter niet ook de spiegel van onze eigen ambivalentie? Volwaardig én volkomen Nederlanderschap dienen de kern te zijn van onze rechtsorde, die voor het overige ongekende vrijheden laat. Ons ruimhartig beleid ten aanzien van de zg. dubbele nationaliteit is een voorbeeld. Moeten wij dit heroverwegen? Ik zou hopen van niet. Maar willen wij onze vrijheden blijven koesteren, juist in onze veelkleurige samenleving, dan ontkomen wij er niet aan de tegenstrijdigheden in de beleving van het Nederlanderschap bij de wortel aan te pakken.

dinsdag 30 april 2013

Willem-Alexander zal zijn authenticiteit nog moeten tonen


















Toen Beatrix op de troon kwam wist je onmiddellijk dat daar een persoon stond met haar eigen autoriteit en intellectuele individualiteit. Zo kenden we haar ook al als jonge prinses. Haar zoon, nu koning, heeft zich in zijn leven tot nu toe vooral betoond als een aardige maar intellectueel betrekkelijk ondiepe figuur. Bij hem komt onmiddellijk de vraag op: wie heeft jouw tekst geschreven? Hij plaatst zich in zijn rede bij de inhuldiging zeer nadrukkelijk in de schaduw van zijn moeder, terwijl Beatrix, omgekeerd, juist zeer opvallend uit schaduw van de hare trad. 

Het meest stralend vandaag waren drie vrouwen: Beatrix, Maxima en de kleine Amalia. Alsof de traditie van de vorstelijke overgang van vrouw naar vrouw vandaag – meer dan wat ook – bevestigd werd. Koning Willem-Alexander zag er ongemakkelijk uit: stijf opgeprikt in zijn koningsmantel, te bewust statig kijkend, terwijl dit in feite zijn habitus niet is. Het leek wel of hij wilde zeggen: kijk, dit ben ik als ceremoniekoning. 

De woorden die hij uitsprak waren intussen keurig en ter zake. Het zou mij niet verbazen als hij ook werkelijk in die woorden gelooft. Aan hem zal geen vermoeden kleven van politieke invloed of “macht”: het is evident dat hij die niet heeft. Voor het Nederlandse koningschap is dat een veilige constatering. 

Het zullen vooral de gebeurtenissen in de loop van zijn koningschap zijn, die zullen bepalen wat zijn plek wordt in de galerij van de Oranjes. En ook dan zullen de camera’s toch vooral de lens richten op de vrouwen, op Maxima en haar oudste dochter. Willem-Alexander zelf zal het al een hele prestatie vinden als hij het erfgoed van de monarchie, zoals zijn moeder deze heeft vormgegeven en gemoderniseerd, zonder kleerscheuren kan doorgeven. 

Dat zijn moeder Beatrix zolang zij vitaal en geestelijk is de aandacht zal trekken, ook haars ondanks, lijkt mij buiten twijfel. Zelfs nu zij geen monarch meer is blijft de allure van de majesteit stellig nog lang aan haar kleven. 

Maar hoe dit alles ook zij: met het degelijke en oer-Nederlandse overgangsritueel (het was zelfs een beetje saai) mogen wij als volk toch tevreden zijn. Wat vandaag gebeurde is immers precies zoals het volk dat wil.

woensdag 17 april 2013

Een handtekening voor het ceremonieel koningschap





























In het dubbelinterview met ons aanstaande koningspaar heeft – nu nog – kroonprins Willem-Alexander gezegd: als de meerderheid van de kamer mijn handtekening vraagt voor een ceremonieel koningschap, dan komt die er. 

Dapper. Eigenlijk zegt hij dat de waarde van het Nederlandse koningschap ligt in alles behalve de wettelijke functies. Als het optreden van het (ceremonieel) staatshoofd niet uit zichzelf overtuigt, in de concrete realiteit van de samenleving, zijn de wetten die spreken over zijn regerings-verantwoordelijkheid een wassen neus. 

Willem-Alexander en Maxima stellen zich op in – niet aan het hoofd van - de Nederlandse samenleving. Dat siert ze. Ik ga er even aan voorbij dat op hun eigen manier zijn moeder en haar voorgangers dat natuurlijk ook hebben gedaan. Wat telt is het gevoel dat Willem-Alexander, nu, bij de generaties van deze tijd wil oproepen. Niet terugkijken maar vooruitkijken. Zijn persoonlijke houding is die van een koning voor de Nederlanders, en niet van Nederland. Goede houding, lijkt me. 

In zijn rol als staatshoofd volgens de huidige Grondwet is hij voorlopig meer dan ceremonieel, al zijn de verantwoordelijkheden niet die van hem persoonlijk. Met de benadering die hij kiest heeft hij de mogelijkheid om de discussie over ‘ceremonieel koningschap’ in feite volkomen overbodig te maken. Strikt juridisch zou ik denken: dat heeft destijds Thorbecke eigenlijk al gedaan. 

De waterprins wil nu samen met zijn vrouw het koningspaar zijn van ons allemaal. Wat betekent dit daadwerkelijk voor zijn agenda? Een groot deel van het bestaan van het staatshoofd wordt gedirigeerd door agenda’s die anderen bepalen. Juist door zich nu zo te profileren geeft onze aanstaande koning zichzelf misschien een veel grotere uitdaging dan wanneer hij het grondwettelijk prerogatief van de koninklijke handtekening (en raadpleging) strikt opvolgt. En wat te denken van zijn aanstaande rol als voorzitter van de Raad van State? Als Koning Willem-Alexander daadwerkelijk een gebaar wil maken in de richting van zijn stellingname, dan zou dit de functie zijn die hij onmiddellijk moet opgeven. 

Mij maakt het – aldus bezien – ook niet uit. Staatshoofd is staatshoofd. De representatie en samenvatting van alles wat zich verschuilt onder ‘Nederland’. En wat in mijn ogen veel belangrijker is: Oranje is Oranje. Alleen wanneer wij Oranje uit onze Grondwet slopen is Nederland zichzelf niet meer

maandag 28 januari 2013

Lang leve Beatrix


























Wanneer we de Oranjes van de afgelopen – bijna – vijf eeuwen op een rij zetten misstaat een hoge score van Beatrix beslist niet. In de benadering van haar positie geldt zij zeker als degene die deze bij uitstek als professional heeft vervuld. In die termen acht ik haar nog het meest vergelijkbaar met Koning-Stadhouder Willem III, de man die aanvoerder was van de Engelse Glorious Revolution en die aan Engeland het concept heeft meegegeven van het grote, zeevarende en vooral ondernemende Brittannië.

Een revolutionair is Beatrix niet geweest, noch heeft zij heel persoonlijk voor enigerlei beweging op de bres gestaan; maar wat zich aan revolutie om haar heen voltrok heeft zij vrouwmoedig beantwoord, zonder kik, en met de grootst mogelijke waardigheid. Vooral in dat laatste opzicht heeft zij voor Nederland meer betekend dan wij in ons eigen binnenland doorgaans beseffen. Zij was niet enkel om haar functie maar ook om haar eigen statuur de persona neerlandica die in Europa en elders in het buitenland vanzelfsprekend respect afdwong. Dat zij niet een woelige historie heeft beleefd zoals Willem III - of andere voorgangers – valt haar natuurlijk moeilijk aan te rekenen. Hoe was zij geweest als zij Nederland door een WO II had moeten loodsen, zoals haar grootmoeder dat heeft gedaan. Anders, denk ik. En niet minder indrukwekkend.

Wat is haar erfgoed? Is de zakelijke vervulling van het koningschap en de professionele benadering die zij introduceerde in en rond de koninklijke machinerie een blijvend aspect van ons landsbestuur? Alles wijst erop dat haar opvolger (wij weten het nu: Koning Willem-Alexander) meer affiniteit heeft met de gemoedelijke aanpak van zijn grootmoeder – Juliana – dan met die van Beatrix. Men kan over dit vooruitzicht verschillend denken. Onmiskenbaar heeft Beatrix door haar persoonlijke prominentie tegelijkertijd de grenzen van de Nederlandse monarchie uitgedaagd, op scherp gesteld, wellicht ook haars ondanks. Ik ben altijd van mening geweest dat Beatrix (mede onder invloed van Prins Claus) ten diepste republikein is en dat zij meer dan wie ook die grenzen heeft gerespecteerd – meer dan enig Oranje ooit tevoren. Maar dat is niet de communis opinio, realiseer ik me. Het zal wel een gespreksthema blijven in de Nederlandse geschiedschrijving en wellicht ook in de voortgaande actualiteit.

Een andere interessante vraag is de invulling van Beatrix’ levensavond. Zij is 75, maar nog vitaal, en ook al kan alles gebeuren – zij heeft mogelijk nog een heel leven voor zich. Gaat zij naar Drakensteyn als een stille oude prinses? Het is moeilijk voor te stellen, zoals wij Beatrix tot nu toe hebben gekend. Ik zou toch hopen dat zij ook in de volgende fase een missie zal vervullen die een inspiratie kan blijven voor het brede Nederlandse publiek.

Wat rest is de grootst mogelijke eerbied voor de vrouw die meer dan dertig jaar op zo voortreffelijke wijze chocola heeft weten te maken van het verschijnsel Nederland.

donderdag 24 januari 2013

De Europese vragen zijn van alle tijden


















Cameron werpt het op. Het Britse volk mort over het verschijnsel Europa en zij niet alleen. Dat morren gebeurde, om een voorbeeld te noemen, vijfhonderd jaar geleden ook. Brussel was te dominant. Zeker in onze regio maar ook elders, zoals in Duitsland, zocht men naar tegenwicht of steunde men openlijk de opkomende tegenkrachten. Er was nog geen euro maar wel zoveel andere regels die van bovenaf werden opgedrukt. 

Elk moment in de geschiedenis dat werk wordt gemaakt van Europese eenheid ontstaat tegelijkertijd de weerstand ertegen. Het is de grote koorddans van onze geschiedenis. Caesar, Karel de Grote, Karel V, Napoleon. De laatste keer dat een Europees concept gewapenderhand werd afgedwongen moest het onverbiddelijk afgelopen zijn. Dat nooit meer. 

Ik ben altijd van mening geweest dat één Europa niet mogelijk is. Op het ene gebied federaal, op het andere confederaal. En in zoveel verschillende opzichten willen de landen zichzelf blijven. 

In feite hebben wij nu ten minste drie functionerende Europa’s: 

- Het eerste en het oudste: het Europa van de mensenrechten (waarvan ook Turkije lid is)
- Ten tweede de Europese Unie (waarvan ook Engeland lid is) 
- Ten derde het Europa van de euro (waarvan Engeland geen lid is) 

Mijn grote zorg ten aanzien van Camerons benadering is in Engeland dat alles wat met Europa te maken heeft op één hoop wordt gegooid. Welk Europa wil hij aan een referendum onderwerpen? Alleen dat van de EU - niet dat van de euro, want daarvan maakt hij geen deel uit. 

Dat effect van alles op één hoop gooien geldt vooral de andere lidstaten. Wij moeten het ook in Nederland scherp blijven onderscheiden. Ik ben voor een drastische sanering van de EU, maar ten aanzien van de monetaire en economische eenheid tussen de eurolanden zie ik enkel de weg van verdere vereniging. 

Het hier geschetste beeld van meer Europa’s is intussen niet zonder bedenkingen. Men zou kunnen zeggen dat hierin juist ook de vertwijfeling ligt bij een groot aantal burgers. Zonder eenduidige Europese identiteit komt van een daadwerkelijk democratisch Europa niets terecht. Hoe desondanks het democratisch gehalte van Europa (in al die verschillende dimensies) versterken blijft de grote vraag die – een beter – antwoord behoeft.

maandag 7 januari 2013

2013 - Tweehonderd jaar Koninkrijk

















1813 - Aankomst Willem I in Scheveningen


Het is 2013. In Buitenhof afgelopen zondag op TV werd stilgestaan bij de viering dit jaar van tweehonderd jaar Nederlands koninkrijk. Hoera. Wat vieren we eigenlijk? Ik zit op het puntje van mijn stoel want ik vind het een interessante vraag en ik heb er mijn eigen opvattingen over. 

Gelukkig zijn de deelnemers aan het zondagochtenddebat goed genuanceerd en deskundig. Geen vaag geklets over “monarchie” versus democratie maar een behoorlijk gesprek over de Nederlandse geschiedenis. Belangrijk aandachtspunt is Willem I die de monarchie in eerste aanleg vormgaf, autoritair, zakelijk en ondernemend. Belangrijk voor de toestand waarin ons land zich rond 1813 bevond. Vervolgens heel terloops het mislukken van Oranje met zijn opvolgers, tot het aantreden van de eerste vrouwenvorstin Emma. Zij schiep het Oranje dat wij vandaag kennen. Het klopt allemaal. Even goed als de opmerking van een van de deelnemers dat “het allemaal teruggaat naar Willem van Oranje, de vader des vaderlands”. Jazeker. 

In mijn eigen voorstelling is 1813 het jaar van de continuïteit en het jaar van de introductie van een merkwaardige anomalie. Dat is wat het interessant maakt. Laat ik beginnen met de anomalie. Dit is natuurlijk de vestiging van de Nederlandse monarchie. Niets in onze eigen geschiedenis maakte dit vanzelfsprekend. Zeker niet de meerderheid van Nederland wilde per se een “koning”. Zelfs Willem I haar daarover aarzelingen, niet omdat hij die ambitie miste maar omdat hij het Nederlandse volk kende. Oranje was altijd in dienst geweest van Nederland, niet de baas. Dat dit toch gebeurde is het product van de Europese geschiedenis. Iets dat wij maar al te makkelijk vergeten. De Europese leiders van 1813 (1815) wensen een ordelijk Europa en ook de Nederlanden behoorden hiertoe. Dat “ordelijk” impliceerde een gematigde herintroductie van het monarchaal bestuur. Wilden de Nederlanden in Europa meetellen, dan alleen met een koning aan het hoofd. Aldus geschiedde. Aan de vroegere republiek werd deze staatsvorm simpelweg door de loop van de Europese geschiedenis opgedrongen, niet door de loop van onze eigen geschiedenis. 

Maar wat een continuïteit! Je zou ook kunnen zeggen dat 1813 een rimpeltje was in een geschiedenis die inderdaad al teruggaat op de grote Zwijger. De Unie van Utrecht is daarom als feestelijke aanleiding misschien veel belangrijker. Zonder Oranje geen Nederland, en omgekeerd natuurlijk. De Grondwet van Nederland die sinds 1813 (1815) het koningschap van Oranje erfelijk verklaart bevestigt een onverbrekelijk contract over de wederkerige identiteit. De monarchie is bijzaak. 

Dat laatste wil ik altijd graag onderstrepen. Nederland is een republiek met Oranje op de troon. Het volk is de baas. Dat behoren wij al meer dan vierhonderd jaar te vieren.

dinsdag 25 september 2012

Wie wordt de oppositieleider?
















Met het mogelijke vooruitzicht van een PvdA-VVD kabinet ontstaat de interessante vraag naar de vorming van de oppositie. Zal van “de” oppositie wel sprake zijn? Het is niet evident dat deze van linker dan wel van rechter zijde moet komen. Dat geldt dus ook voor de oppositieleider.

Diezelfde vraag kon ook worden gesteld in de jaren van Paars I en Paars II. Het CDA had het als oppositiepartij in die periode moeilijk en de rol van deze partij als tegenspeler van het kabinet kwam niet echt uit de verf. De kiezers beloonden dit in 1998 met zetelverlies, dit vooral ten gunste van de twee regeringspartijen VVD en D66. De meest uitgesproken oppositie tegen Paars kwam na verloop van tijd van buiten, in de persoon van Pim Fortuin.

Een belangrijk verschil met de jaren negentig is het optreden van sterke partijen aan beide flanken: de SP op links en de PVV op rechts. Het midden is behoorlijk verzwakt, en D66 zal zich tegenover een VVD-PvdA kabinet als daadwerkelijke oppositiepartij mogelijk wat ongemakkelijk voelen. Het beeld ontstaat dat zich tegenover de verzoening tussen links en rechts in het kabinet een scherpe links-rechts tegenstelling zal manifesteren in de volksvertegenwoordiging. Kemphanen die hun onderlinge strijd mede op de regering zullen afreageren. Maar is dat oppositie? 

In de geschetste situatie zal het waarschijnlijk vooral aankomen op degene die door zijn of haar persoonlijk optreden de meest geduchte tegenspeler is van het kabinet. Roemer, Pechtold en Wilders zijn de meest voor de hand liggende kandidaten. Stellig zullen zij de daden van de coalitie zeer kritisch volgen en zullen zij zich hierover sterk gearticuleerd willen uiten. Van de rudimenten van het midden – ik denk vooral aan Jolande Sap en Sybrand Buma – valt voorlopig niet veel te verwachten. Zij zitten beiden midden in de heruitvinding van zichzelf. 

Het is natuurlijk ook denkbaar dat opnieuw de situatie ontstaat zoals bij Paars: oppositie van buiten. Een of meer maatschappelijke stromingen met uitgesproken woordvoerders. Maar dit is vooralsnog een zeer speculatief beeld. Dat geldt ook voor de mogelijkheid van oppositie "van binnen": PvdA (of VVD) groepen die zich verzetten tegen concrete maatregelen (compromissen) die het eigen gedachtegoed fundamenteel dreigen te ondergraven. 

Zeker is dat het politieke spel de verschillende partijen opnieuw voor interessante opgaven stelt.

donderdag 20 september 2012

Formeren zonder de koningin – moet ik mijn mening herzien?


















Dit beeld dus niet meer


Ik heb mij tijdens de meest recente discussies over het uitschakelen van ons staatshoofd in de kabinetsformatie altijd zeer kritisch betoond. Belangrijkste argumenten, die ook anderen voortdurend aanhaalden, waren de onafhankelijke positie van het staatshoofd (“boven de partijen”), de waarborg van objectiviteit in het coalitieproces enzovoorts enzovoorts. 

Daarentegen heb ik het altijd heel normaal gevonden dat in Engeland de regeringsvorming een volstrekte aangelegenheid is van het electoraat, respectievelijk het parlement. Immers, de meerderheid volgt vanzelf uit de verkiezingsuitslag. Maar dit argument snijdt inmiddels geen hout. Ook in Engeland is nu langs dezelfde weg een coalitieregering tot stand gekomen. Dus zonder enigerlei interventie van Buckingham Palace. Geen haan die daar kraaide.

De argumenten voor het uitschakelen van de majesteit in Nederland heb ik overigens nooit willen wegstrepen. Niets in ons staatsrecht verplicht ertoe. De rol van de koningin was sinds jaar en dag een kwestie van gewoontevorming. Coalities maken was immers een hele kunst. Maar ook onder de spelregels van die gewoonte werd deze toch hoofdzakelijk werd beoefend door personen die (weliswaar via de majesteit) ten minste het vertrouwen hadden van de meerderheid van het parlement. Voor de uitkomst van de formatie moest uiteindelijk ook aan het parlement verantwoording worden afgelegd, in casu door het aldus benoemde kabinet, dus waarom dan niet een direct proces?

De rommelige gang van zaken tijdens de kabinetsformatie in 2010 legde echter een kwetsbaarheid van het staatshoofd bloot waaraan zij (in dit geval) in redelijkheid niet behoort te worden blootgesteld. Dat dit vooral lag aan het optreden van har adviseurs werd makkelijk vergeten, maar desondanks was die persoonlijke kwetsbaarheid in de ogen van het publiek een feit.

De nieuwe kabinetsformatie is pas net begonnen, met een geheel ander electoraal resultaat dan in 2010, en er kan nog van alles mislopen. Toch bekruipt mij het besef dat deze gang van zaken veel scherper afbakent waar de concrete verantwoordelijkheden liggen. Tegelijkertijd groeit juist daardoor de objectiviteit en onschendbaarheid van de koningin. Ongetwijfeld laat zij zich in de nieuwe procedure grondig informeren en onderhoudt zij nauw contact met haar adviseurs maar in essentie blijft alles op z’n plaats. Dat geldt ook voor de vice-president van de Raad van State, die in mijn ogen terecht op de achtergrond blijft en niet ook nog eens informateur gaat spelen. Zo hoort het ook, eigenlijk.

Ik ben dus wel om, hoe het proces verder moge lopen. De majesteit blijft de majesteit en de politici zijn verantwoordelijk. De druk op zorgvuldigheid en openbare verantwoording ligt onomwonden bij hen. Dat de kiezer een handje heeft geholpen bij het scheppen van een duidelijke uitgangs-positie herinnert ons er ten slotte ook voor de toekomst aan dat het land de regering krijgt die het verdient.