zaterdag 30 juli 2011

De PvdA dient op te komen voor participatie




Als er een uitgangspunt is in het huidige kabinetsbeleid dat Kamerbreed, dus door alle partijen, kan worden omarmd dan is het de gedachte dat niet de afkomst maar de toekomst van iedere Nederlander centraal dient te staan in het overheidsbeleid. Maar omdat dit zo is – en het eigenlijk te zeer vanzelf spreekt – dienen partijen zich te onderscheiden naar de wijze waarop zij hieraan gestalte willen geven. Hierin ligt in mijn ogen bij uitstek een kans voor de linker flank van ons parlement.

Te lang heeft de allochtonenproblematiek overheerst als het voornaamste maatschappelijke vraagstuk. De PvdA heeft hiervan inmiddels, zij het tamelijk schoorvoetend, afscheid genomen (in feite door nu Wilders na te spreken en het ‘multi-culti theedrinken” af te zweren). Natuurlijk is die problematiek daarmee niet zomaar afgedaan, maar veel belangrijker is dat inderdaad werk wordt gemaakt van de belofte van een zinnige toekomst voor iedereen.

De werkelijke spanningsvelden in onze maatschappij zijn onder invloed van de aanhoudende crisis en de hierop volgende bezuinigingen vooral komen te liggen tussen degenen die volop meedoen en degenen die aan de kant staan, tussen degenen die volop van de welvaart genieten en degenen die leven onder het regime van een strakke broekriem. Als geen andere partij dient de PvdA zich dit aan te trekken.

De vorige week uitgelekte strategische PvdA-nota over integratie lijkt daarmee potentieel een gemiste kans. De worsteling met integratie dient nadrukkelijk achter te ons te worden gelaten, niet door te doen alsof dat vraagstuk is opgelost – zo is het niet – maar door dit te trekken in een veel breder maatschappelijk participatievraagstuk. Zij dient daarmee tevens frontaal verweer te bieden tegen de algehele laissez-faire opstelling van het kabinet, die grote groepen Nederlanders raakt, van elke afkomst, in alle leeftijden en in alle opleidingscategorieën. Wie Nederland sterk wil maken zal toch een pro-actief werkgelegenheidsbeleid moeten voeren. Een enkel op economie en (financiële) markten gerichte politiek zal dit niet bewerkstelligen.

Volle werkgelegenheid in een wereld die ter wille van de internationale concurrentie alles op alles zet om zoveel mogelijk arbeid uit te stoten vereist fundamenteel vernieuwend denken over arbeidspolitiek, inkomensvorming en fiscaliteit. De continuïteit en kwaliteit van tal van maatschappelijke sectoren, zoals de zorg en het onderwijs zijn daarbij mede in het geding.

Het valt te hopen dat de PvdA, en met haar de hele flank links van het midden, het navelstaren spoedig voorbij zal zijn. De zwakte van rechts zit niet enkel in het geblaat over islamisering of in het mentaal conservatisme dat hieraan ten grondslag ligt. Veel ernstiger is de sluipende verschraling en desintegratie van de hele samenleving. Dat dit op de langere duur vooral de jongere generaties aangaat lijkt mij een belangrijk vertrekpunt voor iedere onderscheidende politieke strategie. Maar dat kan alleen met een vernieuwende uitstraling die zich niet beperkt tot de inhoud.

vrijdag 22 juli 2011

De strop om de nek van Griekenland


De redders van de euro?


Deze week zag ik op de Belgische televisie een documentaire over de onderhandelingen in Versailles over de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog (1919). Gedramatiseerde reconstructies werden afgewisseld met authentieke filmbeelden. Het drama was vooral de formulering door de geallieerden van het dictaat aan het Duitse Rijk. Vergelding en afrekening voerden de boventoon. Al tijdens de onderhandelingen waarschuwden deskundigen tegen de potentieel desastreuze gevolgen van de brute rekening die de Duitsers voorgelegd zou worden. Op de achtergrond liepen de massa’s in Berlijn te hoop en schreeuwden om revolutie. Het was slikken of stikken. De geschiedenis ziet vooral Frankrijk als de grote boosdoener van dit wurgcontract. Zelfs Engeland, dat Duitsland toch liever snel zag herstellen als potentiële markt voor Engelse goederen, moest tegenover de onwrikbare Clemenceau zwichten.

Ik dacht hieraan toen ik de slotfase zag van de besluitvorming in Brussel, in deze zelfde week, over de financiële steunoperatie aan Griekenland. Op het eerste gezicht is een groter contrast met de gebeurtenissen van een eeuw geleden niet denkbaar. De continuïteit van de Europese economie staat voorop. Vergelding is niet aan de orde, zelfs al treft Griekenland het verwijt dat men de eigen huishouding niet tijd op orde heeft gekregen. Frankrijk en Duitsland zijn toonaangevend en zij hebben er alles aan gedaan om tot een gezamenlijke aanpak te komen, al heeft vooral bondskanselier Merkel de nodige concessies moeten doen. Griekenland kan voorlopig ademhalen.

Niettemin staat het land nu effectief onder Europese curatele. In dat opzicht is het evengoed slikken of stikken. De Griekse premier Papandreou kijkt lachend de camera’s in, maar hij zal het thuisfront met straffe hand moeten dwingen tot het accepteren, voor de langere termijn, van een groot aantal draconische maatregelen die de verhoudingen in dat land stevig op hun kop zullen zetten.

Alles staat of valt met de werkelijke economische vitaliteit van de hele eurozone. De strop hangt om de nek van iedereen. De invoering destijds van de euro, onder incomplete condities, kan achteraf worden gezien als een riskant politiek huzarenstuk; dat geldt niet minder voor de nu overeengekomen financiële maatregelen. Tussen Versailles in 1919 en Brussel in 2011 ligt een massieve geschiedenis van verdeeldheid naar gemeenschappelijkheid die nog niet is voltooid. De grote zorg mag zijn dat de burgers in Europa dit blijven volgen en dat daadwerkelijke welvaartsverbetering (of ten minste: welvaartsbehoud) iedere verdere neiging tot kortzichtig nationalisme de kop weet in te drukken.

maandag 18 juli 2011

Moord en doodslag in de Arabische wereld, houdt het ooit op?


Zelfmoordaanslag bij begrafenis vermoorde halfbroer president Karzai, Afghanistan


De grootste ellende die mensen in het Midden-Ooosten aanrichten veroorzaken zij onder elkaar. De aanslagen en gewelddadigheden in ons deel van de wereld zijn daar niets bij. Terwijl links en rechts de topstukken worden omgemaaid keren wij onze rug van brandhaarden zoals Irak en vooral Afghanistan. Het schouwspel is te gek voor woorden. Ik heb geen enkele fiducie in een spoedige oplossing van de spanningen, de wrok, de argwaan, de jaloezie en het fanatisme die aan toestand in het Midden-Oosten ten grondslag liggen.

Het westen reageert tot nu toe met gelijke – gewelddadige – munt. Dat is wat wij zien. De halfhartige vertoning van de Nederlandse regering (“we zijn niet tegen bombardementen op Libië, maar we doen niet mee”) geeft te denken over ons eigen besef van hetgeen op het spel staat en van de consequenties hiervan. Een debat over deze opstelling heeft niet plaatsgevonden, alsof het alsnog allemaal ver van ons bed kan worden gehouden.

Niettemin zal tot menigeen aan onze kant wel zijn doorgedrongen dat een groot deel van de ellende die in de afgelopen periode is uitgebarsten maar weinig van doen heeft met daadwerkelijke religieuze strijd. Dat werkt louterend. Sterker nog, de brandhaarden van gewelddadig islamitisch fanatisme lijken zwakker dan ooit. Daarmee is echter de dreiging voor onze eigen veiligheid en voor de economische stabiliteit op langere termijn niet afgenomen. Ik denk eerder integendeel, vooral omdat de welvaartsvraagstukken in het Midden-Oosten zo nauw met de omstandigheden in het westen verbonden zijn.

Dit zijn allesbehalve geruststellende gedachten. De beelden van opgeheven handen met geweren, stuurloos gebarend in protest, kunnen niet worden weggedacht (of weggezapt). Wij staren dagelijks in de spiegel van een wel zeer hardnekkige historische impasse.

Voor de omvangrijke jonge bevolking van de Arabische landen is het perspectief uiterst somber. Hoe de regimes zich ook zullen aanpassen, zonder daadwerkelijk brood op tafel zal van enigerlei duurzame democratisering geen sprake zijn. Uitbarstingen met spillover effecten naar de rest van de wereld zullen dus voorlopig bij ons blijven.

donderdag 14 juli 2011

Elitaire drogreden leidt tot kleiner parlement


Willen wij dat, een derde van deze zetels verwijderen?


Het rechts-christelijke gedoogkabinet maakt ernst met de sanering van het openbaar bestuur. Ik weet niet zeker of ik dit een daadwerkelijke saneringsoperatie moet noemen of een brute opruiming. Voor een gedegen oordeel is het nog te vroeg. Al eerder heb ik mijn kanttekening geplaatst bij de gedachte dat dit proces enkel een kwestie is van “minder overheid”. In het samenspel tussen overheid en publiek verschraalt ook de samenleving zelf. Hoe dit zich precies zal voltrekken kan nu nog moeilijk worden voorzien. En het zijn ook niet alleen de zogeheten kwetsbare groepen - ouderen, jongeren, allochtonen - die hierdoor geraakt zullen worden.

In het tamelijk ééndimensionale denken over “minder overheid” moet ook de volksvertegenwoordiging het ontgelden. Dat stond al in de kabinetsplannen en op de valreep van de vakantie heeft premier Rutte gemeld dat hiervoor inderdaad concrete voorstellen worden voorbereid. Alleen al het feit dat de beoogde inkrimping van onze parlementaire vertegenwoordiging zo nadrukkelijk wordt geplaatst in het perspectief van bestuursdrukte maakt mij op z’n minst argwanend. Meent men dit serieus of weet Rutte bij voorbaat dat dit voorstel gedoemd is te stranden? Hij heeft hiervoor een gekwalificeerde meerderheid nodig van tweederde van het huidig aantal parlementszetels.

Geen enkel getal is heilig. Een objectief juist aantal parlementszetels bestaat niet. We kunnen ons hiervoor meten aan de ons omringende landen en stuiten meteen op de slechte vergelijkbaarheid, alleen al gezien naar bevolkingsgrootte, maar ook naar staatkundig bestel. Neem Duitsland, met ruim 80 miljoen inwoners en een Bondsdag van bijna 600 afgevaardigden. In diezelfde verhouding zou het Nederlandse parlement het kunnen doen met 120 zetels. In de Duitse federale verhoudingen hebben echter de parlementen van de afzonderlijke Länder een veel belangrijker politieke functie – ook als volksvertegenwoordiging – dan bij ons de provincies. Men zou dit op een of andere manier in de berekening moeten meenemen. Datzelfde geldt ook voor de verhoudingen in de VS, met een Senaat van 75 leden (evenveel als bij ons, met veel grotere politieke macht, en een veel grotere bevolking). Je kan dus zeggen dat er wel eens onsje van af kan bij ons, maar niet zo drastisch als het kabinet nu wil.

Maar belangrijk zijn ook de geschiedenis, de tradities in onze samenleving en vooral de grote verscheidenheid in opvattingen (en overtuigingen) die Nederland bij uitstek kenmerkt. Hoe kleiner het parlement, des te minder komt die verscheidenheid in de vergaderzaal van ons volk tot haar recht. Deze meer gevoelsmatige argumenten tellen zwaar, lijkt mij, en zij zijn niet simpel af te doen met de dorre managementlogica waarvan dit kabinet zich bedient.

Ons parlement is geen overheid. Het dient juist ter controle van die overheid. Het selecte gezelschap dat deze coalitie ervan wil maken zal het publieke wantrouwen jegens de overheid versterken. Van meer doelmatigheid kan geen sprake zijn. In de wetgevende en controlerende functies van het parlement verandert immers niets. De Nederlandse verscheidenheid is een groot goed. Wij moeten deze niet de mond willen snoeren, en zeker niet met de verkeerde argumenten.

woensdag 6 juli 2011

Een held valt van zijn sokkel: de kwestie Jan Pieterszoon Coen




“Maar hij zal, wil hij slagen, welbewust afstand moeten doen van de pleittoon, van het: bedenk in welk een ruwe tijd, onder welke uitzonderlijke omstandigheden Coen leefde en werkte. Want hij zal ons Coen moeten uitbeelden als een component van die tijd en niet als een ethische twintigste eeuwer, die goedschiks-kwaadschiks zijn rol in die ruwe eeuw heeft moeten spelen.”

Jan en Annie Romein, Erflaters van de beschaving

De gemeente Hoorn toont gewetenswroeging. Het stadje wordt gesierd met een standbeeld van Jan Pieterszoon Coen (1587 – 1629), wiens herinnering in de hoogtijdagen van onze vaderlandse geschiedbeleving gelijk werd gesteld met de grondlegging van onze complete Gouden Eeuw. De ferme hand waarmee hij dit bewerkstelligde, door het bruut afdwingen van de Nederlandse monopoliepositie in de handel met de Indische archipel, werd toegedekt met een dikke mantel der liefde. Dit ondanks de ernstige bedenkingen die al in zijn eigen tijd waren geopperd tegen zijn wel zeer harde optreden.

Wie de mantel oplicht komt inderdaad oog in oog met verbijsterende taferelen. Twee brute slachtpartijen steken boven alles uit. De eerste is de expeditie in 1621 naar de Banda-eilanden waar op gezag van Coen duizenden inwoners werden vermoord om een streep te zetten achter iedere verdere verkoop van nootmuskaat, het unieke inheemse product, aan Portugezen en Britten. Een tweede gebeurtenis is de zogeheten Ambonese Moord, waarbij tal van Engelsen werden doodgemarteld of onthoofd op verdenking van samenzwering ter omverwerping van het Nederlands gezag. Engeland heeft ons dit nooit vergeven en het incident vormde mede aanleiding tot de Eerste Engels-Nederlandse oorlog.

Ook Jan en Annie Romein, die in de vorige eeuw van de Nederlandse geschiedenis literatuur maakten, relativeerden de heldenverering. Maar zij waagden het niet om met gestreng moralisme Jan Pieterszoon Coen uit de context van zijn tijd te rukken. Dat wil de gemeente Hoorn nu wel. Er circuleert het voorstel om op de sokkel een kanttekening toe te voegen waarin afstand wordt genomen van Coen's wandaden.

Een zeer aanzienlijk deel van onze welvaartsgeschiedenis is gebouwd op bedenkelijke praktijken. Althans, bedenkelijk nu in onze ogen. Onderdrukking, slavernij en brute afslachting is het zout van de hele westerse geschiedenis. Het gebaar van de gemeente Hoorn heeft veel weg van Hansje die met een enkele vinger een hele dijkdoorbraak wil tegenhouden.

Dit neemt niet weg dat geschiedenis verteld mag worden, ook in haar zwarte kanten. Een degelijke lesbrief op school, een nuchtere TV-documentaire of misschien een eigentijdse versie van Jan en Annie Romein’s standaardwerk: het verhaal zal nooit precies hetzelfde zijn.

zondag 3 juli 2011

Ambities in het onderwijs



Het onderwijs is in de afgelopen decennia bij uitstek belaagd door ambities van beleid – van opeenvolgende politieke bewindvoerders – en van bestuur – de onderwijsbonzen in scholen en universiteiten. Ik heb in de loop der jaren verschillende uitwassen hiervan – soms goedbedoeld, soms meer schadelijk megalomaan – van nabij mogen meemaken. In mijn vorige bijdrage (zie: Het hoger onderwijs is nog lang niet klaar) heb ik al gewezen op het risico van de opeenstapeling van steeds weer nieuwe ambities voor de kwaliteit en effectiviteit van ons onderwijsbestel.

Het beleid van het kabinet richt zich nu vooral op de ambities van de studenten zelf, althans ogenschijnlijk. Het moet afgelopen zijn met de zogeheten zesjescultuur. De inspanningen dienen vooral te zijn gericht op het verbeteren van de prestaties van de best gekwalificeerde studenten, onder meer door vergroting van de exclusiviteit van het universitaire onderwijs. Ik zeg ogenschijnlijk, omdat het onderliggende motief niet zozeer de studenten zelf betreft als wel hun functie in de gepropageerde kenniseconomie.

De vraag is niettemin welke factoren daadwerkelijk tot versterking van de intrinsieke motivatie van studenten bijdragen. Zij moeten al in het voortgezet onderwijs manifest worden, willen scholieren slagen in de race om een universitaire studieplaats. De uitdaging is dus vooral aan opvoeders en leraren om hieraan een – extra – impuls te geven, niet enkel er wille van de strikte schoolprestaties. In het licht van de heersende consumptieve preoccupaties van de jongere generatie lijkt mij dit geen geringe opgave.

Maar de regering wil ook dat studenten tijdens de studie worden aangespoord om uit te stijgen boven een marginale voldoende. Verplichtstelling van het bijwonen van colleges zal hieraan geen bijdrage leveren. Het komt eerder over als een zwaktebod, zeker in een tijd waarin kennis op zoveel andere manieren verkrijgbaar is. En het is ook niet per se de reproductie van die kennis bij examens waaruit de ambitie van studenten daadwerkelijk blijkt. Zeker in die termen dient een voldoende gewoon voldoende te blijven. Studenten komen pas werkelijk op stoom wanneer zij een oorspronkelijk werkstuk leveren zoals een essay of een bachelorscriptie. Daarbij kom het niet alleen aan op motivatie of ambitie maar ook op vaardigheden.

Aan de ontwikkeling van die vaardigheden – de complete gereedschapskist waarover studenten dienen te beschikken om succesvol te zijn in hun latere beroepsuitoefening – mag in mijn ogen minstens evenveel aandacht worden besteed als aan strikte kennisoverdracht. Ik doel hierbij naast academische vaardigheden vooral op presentatie, communicatie, informatieverwerving, kortom: de vaardigheden die studenten bij uitstek ten dienste staan in hun eigen creatieve proces en waarin zij zich als individu (kunnen) onderscheiden.

Het is mijn stellige indruk dat juist in die vaardigheden de sleutel ligt tot versterkte motivatie. Zij wakkeren bij studenten zelfvertrouwen aan en daarmee ook de ambitie om verder te gaan dan alleen het strikt noodzakelijke. Er is in mijn ogen ook geen enkel bezwaar tegen om studenten in vergelijkende zin de spiegel van hun ambitie en oorspronkelijkheid voor te houden. Maar dat vraagt, opnieuw, extra inspanning van hun docenten, die zich in dit opzicht veeleer dienen op te stellen als ‘educators’ dan als ‘teachers’.

vrijdag 1 juli 2011

Het hoger onderwijs is nog lang niet klaar




In het Nederlandse hoger onderwijs wordt nog steeds gemeten met verschillende, onderling tegenstrijdige maten. Voortdurend is om de hete brij heen gedanst, met name bij de doorvoering van het Europese bachelor-master stelsel. Een ingewikkeld bouwwerk van ficties dekt de discrepanties toe, maar wie goed kijkt ziet deze onmiddellijk. Kern hiervan is de dichotomie tussen HBO en WO, met name in de bachelorfase. Nu de universiteiten wordt toegestaan om bij de toegang tot de bacheloropleiding aanvullende eisen te stellen naast een vwo-diploma worden deze discrepanties opnieuw versterkt.

Ik heb er al vaker over geschreven maar ik doe het opnieuw nu de staatssecretaris van hoger onderwijs, Halbe Zijlstra, een zogeheten strategische agenda heeft uitgebracht waarin onder meer die extra toegangsselectie tot de universiteiten is opgenomen. Het is dus interessant nog eens grondig bij ons hoger onderwijsbestel stil te staan.

Nederland heeft zich ruim tien jaar geleden verbonden in het Lissabon akkoord, waarbij in Europa een eenvormig stelsel werd afgesproken met een ambitieuze doelstelling: een gedeelde inspanning gericht op modernisering van het hoger onderwijs en zo groot mogelijke participatie. De bachelor-master structuur werd geïntroduceerd als basis voor erkenning van diploma’s over en weer en als incentive voor het stimuleren van studentenmobiliteit en – meer in het algemeen – de internationalisering van het hoger onderwijs.

Het tweeledige hoger onderwijsbestel in ons land werd gehandhaafd. Een bacheloropleiding van een hbo-instelling verschilt aanzienlijk van de bacheloropleiding in het wo: qua studieduur, academische context, voorzieningenniveau enzovoorts. Niettemin heeft het hbo een hele ontwikkeling doorgemaakt. In tal van opleidingen kan een vwo-er voor de bachelorfase uitstekend bij het hbo terecht en kan deze vervolgens doorstromen naar een masteropleiding van een universiteit.

In dit licht kan de gedachte van een meer selectieve universiteit wel worden gerechtvaardigd. De staatssecretaris wil het hbo bovendien extra aantrekkelijk maken voor vwo’ers, onder meer met verkorte bachelorprogramma’s.

Afgezien van de ontwaarding van het vwo-diploma is mijn grote bedenking echter dat hiermee de ongelijkwaardigheid van hbo- versus wo-bachelors wordt vergroot. Ik had liever gezien dat wij – ook – in Nederland zouden toewerken naar een stelsel waarin algemene toegang bestaat tot bacheloropleidingen, ongeacht de instelling die deze verzorgt. Universiteiten kunnen in een dergelijk stelsel hun bacheloropleidingen op zekere afstand plaatsen van hun academische kern of zelfs geheel onderbrengen in een samenwerkingsverband met hbo-instellingen, zoals in feite al hier en daar gebeurt.

Een tweede bedenking is dat de accentverzwaring richting hbo-instellingen niet of onvoldoende gepaard gaat met extra middelen voor kwaliteitsontwikkeling. Tal van opleidingen lopen nu al voor een dubbeltje op de eerste rang.

Ik zie de maatregelen slechts als een stap in een voortgaande evolutie. Datzelfde geldt voor een andere maatregel uit de strategische agenda, die een differentiatie voorstelt tussen opleidingen binnen het hbo (‘hbo-min’ versus ‘hbo-plus’). Op enig moment ontstaat een nieuwe strakke lijn in het hoger onderwijs, dat anders, met al dit gestapelde beleid, een groot risico loopt weg te zakken onder het gewicht van onhaalbare ambities.