woensdag 12 januari 2011

Waarom geen onschendbaarheid voor iedereen




Politici zijn net als mensen, dus ook omgekeerd

Het afscheidspleidooi van Femke Halsema om de onschendbaarheid van politici ook te laten gelden buiten het parlementair debat raakt de kern van onze strafbaarheid voor misplaatste publieke uitlatingen. Wat is hiervoor eigenlijk nog de rechtvaardiging?

Al eerder heb ik gesuggereerd dat de potentiĆ«le strafbaarheid van uitlatingen die kunnen worden opgevat als groepsbelediging in feite een vorm van juridische gijzeling is. Wat een ander ‘voelt’ kan ik niet altijd voorspellen noch mag dit in mijn ogen reden zijn om mij te beperken in mijn meningsuiting. Beledigingen zijn in rechte niet objectiveerbaar.

Over godslastering is al vaker gesproken en als ik het goed zie groeit in ons land de consensus over de wenselijkheid deze geheel uit de wet te halen.

De vraag is wat zouden dan wel mogen zeggen dat wij als gewone stervelingen moeten nalaten. Geeft Halsema’s voorstel aan politici een vrijbrief bijvoorbeeld om haat te zaaien? Ik neem aan dat zij het zo niet bedoelt, maar dan zijn er inderdaad alsnog bepaalde grenzen – ook voor politici.

Wanneer voor politici een bres wordt geslagen in de wettelijke zeewering van ons publieke fatsoen is de stortvloed niet meer te keren. Dat is minder erg dan het lijkt. In feite is die stortvloed al lang over ons heen gekomen. Wie ergernis oproept, mag hierop in het publiek worden aangesproken. De recente voorbeelden – waaronder het proces tegen Wilders – laten al zien hoe ongemakkelijk en penibel het is om dit in rechte te willen afrekenen.

Niet wat wij zeggen maar wat wij feitelijk doen telt: dat geldt voor discriminatie en ook voor daadwerkelijke kwetsing van anderen. Wij moeten het aandurven om iedere burger in zijn spreken geheel vrij te laten. Hoe minder wij ons hierover druk maken, des te sneller verdwijnt de lol voor degene die bagger produceert.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten