zondag 3 juli 2011

Ambities in het onderwijs



Het onderwijs is in de afgelopen decennia bij uitstek belaagd door ambities van beleid – van opeenvolgende politieke bewindvoerders – en van bestuur – de onderwijsbonzen in scholen en universiteiten. Ik heb in de loop der jaren verschillende uitwassen hiervan – soms goedbedoeld, soms meer schadelijk megalomaan – van nabij mogen meemaken. In mijn vorige bijdrage (zie: Het hoger onderwijs is nog lang niet klaar) heb ik al gewezen op het risico van de opeenstapeling van steeds weer nieuwe ambities voor de kwaliteit en effectiviteit van ons onderwijsbestel.

Het beleid van het kabinet richt zich nu vooral op de ambities van de studenten zelf, althans ogenschijnlijk. Het moet afgelopen zijn met de zogeheten zesjescultuur. De inspanningen dienen vooral te zijn gericht op het verbeteren van de prestaties van de best gekwalificeerde studenten, onder meer door vergroting van de exclusiviteit van het universitaire onderwijs. Ik zeg ogenschijnlijk, omdat het onderliggende motief niet zozeer de studenten zelf betreft als wel hun functie in de gepropageerde kenniseconomie.

De vraag is niettemin welke factoren daadwerkelijk tot versterking van de intrinsieke motivatie van studenten bijdragen. Zij moeten al in het voortgezet onderwijs manifest worden, willen scholieren slagen in de race om een universitaire studieplaats. De uitdaging is dus vooral aan opvoeders en leraren om hieraan een – extra – impuls te geven, niet enkel er wille van de strikte schoolprestaties. In het licht van de heersende consumptieve preoccupaties van de jongere generatie lijkt mij dit geen geringe opgave.

Maar de regering wil ook dat studenten tijdens de studie worden aangespoord om uit te stijgen boven een marginale voldoende. Verplichtstelling van het bijwonen van colleges zal hieraan geen bijdrage leveren. Het komt eerder over als een zwaktebod, zeker in een tijd waarin kennis op zoveel andere manieren verkrijgbaar is. En het is ook niet per se de reproductie van die kennis bij examens waaruit de ambitie van studenten daadwerkelijk blijkt. Zeker in die termen dient een voldoende gewoon voldoende te blijven. Studenten komen pas werkelijk op stoom wanneer zij een oorspronkelijk werkstuk leveren zoals een essay of een bachelorscriptie. Daarbij kom het niet alleen aan op motivatie of ambitie maar ook op vaardigheden.

Aan de ontwikkeling van die vaardigheden – de complete gereedschapskist waarover studenten dienen te beschikken om succesvol te zijn in hun latere beroepsuitoefening – mag in mijn ogen minstens evenveel aandacht worden besteed als aan strikte kennisoverdracht. Ik doel hierbij naast academische vaardigheden vooral op presentatie, communicatie, informatieverwerving, kortom: de vaardigheden die studenten bij uitstek ten dienste staan in hun eigen creatieve proces en waarin zij zich als individu (kunnen) onderscheiden.

Het is mijn stellige indruk dat juist in die vaardigheden de sleutel ligt tot versterkte motivatie. Zij wakkeren bij studenten zelfvertrouwen aan en daarmee ook de ambitie om verder te gaan dan alleen het strikt noodzakelijke. Er is in mijn ogen ook geen enkel bezwaar tegen om studenten in vergelijkende zin de spiegel van hun ambitie en oorspronkelijkheid voor te houden. Maar dat vraagt, opnieuw, extra inspanning van hun docenten, die zich in dit opzicht veeleer dienen op te stellen als ‘educators’ dan als ‘teachers’.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten