maandag 20 oktober 2014

VERZUILING IS BIJ ONS NOOIT ECHT VOORBIJ GEWEEST



In de canon van onze naoorlogse geschiedenis speelt “de ontzuiling” in en na de zestiger jaren een belangrijke rol. De verticaal georganiseerde maatschappij van protestanten, katholieken, liberalen en socialisten waarin wij onze stemmen uitbrachten, onze radio afstemden, onze dagelijkse boodschappen deden en zelfs onze lichaamsoefening, stierf langzaam af ten gunste van het individualisme. Deed je gewoon, dan was dat al gek genoeg. 

Maar ook die maatschappij is niet meer. Nee, gek genoeg – de ene zuil werd, wanneer wij het achteraf bezien, gewoon vervangen door de andere. Dit als gevolg van ontwikkelingen die wij in de jaren zestig en zeventig met geen mogelijkheid konden voorspellen, maar die nu ons zo overduidelijk aanstaren. Het enige is dat ons stemgedrag chaotisch is en dat wij onze boodschappen voornamelijk laten afhangen van de prijs en niet van enigerlei ideologische determinatie van de winkelier. 

Nou ja, is dat zo? Hoeveel Turkse en Marokkaanse snackbars of supermarkten zijn er niet die hun klanten vooral vinden onder dat deel van onze bevolking? Kijken tal van Turkse en Marokkaanse Nederlanders niet bij voorkeur naar TV in hun eigen taal en cultuur? Wat is er veranderd? Diezelfde vragen kan men stellen ten aanzien van mensen die lever kijken naar de publieke omroep dan naar commerciële zenders, mensen van verschillende leeftijden (jong versus oud), homo’s versus hetero’s enzovoorts. Nee, dat is geen verzuiling. Maar het blijft segmentatie. Marktsegmentatie vooral. En religieuze segmentatie. Een ontwikkeling die steeds grotere bevolkingsgroepen verdeelt. 

Beide vragen om een antwoord. Beide zijn de wortel van vervreemding in ons dichtgepakte Nederland waar onderling begrip en complementaire – of ten minste: niet onderling tegenstrijdige - opvattingen en voorkeuren juist zo essentieel zijn. En waar sommige segmentaties tegenstellingen suggereren die er helemaal niet hoeven te zijn, ook niet ten aanzien van religie.

De meest verwarrende zijn misschien onze heersende politieke schema’s. Wat weerspiegelen zij nog aan verschillen in werkelijke, relevante keuzen? Hoe moeten wij het zien nu de vroegere politieke aartsvijanden VVD en PvdA in een tweede ronde (ná 1994 – 2002) met elkaar regeren – nu weliswaar met de VVD aan het roer – en opnieuw vertroebelen wat ooit helder was: links versus rechts en alles wat zich in het midden positioneerde of aan de uiteinden. Dat beeld is totaal uiteengespat door oprukkende belangenstrijd, korte termijn kwesties, opportunisme, vreemdelingenhaat en onmacht van leidende politici om van de vraagstukken in onze tijd werkelijk chocola te maken.

Het is misschien goed om hier nog eens de analyse in herinnering te roepen die meer dan twee decennia geleden werd gegeven door Prof. J.W. Oerlemans (1926 – 2011) gaf van de Nederlandse politieke verhoudingen en de relatie tussen politiek en burger. Van hem komt de term “één-partijstaat Nederland”: een gesegmenteerd politiek bestel waarvan (alleen) de elite in staat is tot samenspraak en compromisvorming, zonder enige interesse in de burger en gedreven door een elitair-paternalistische visie op wat goed is voor het land (en de burgers). Ik wil geen terugkeer bepleiten naar die omstandigheden, maar ten minste was er zoiets als een geheel van samenbindende factoren, gedeelde grondslagen en gedeelde stijl van communicatie (ook al hing er een stevige spruitjeslucht) die wij vandaan node missen. 

Meer dan ooit te voren is ons land een uiteengevallen in allerlei subculturen die geen of weinig verbinding met elkaar meer voelen en die, omgekeerd, evenmin heldere verschillen ten opzichte van elkaar beleven. We zinken weg in onderlinge desinteresse en sterke zelfgerichtheid. 

Het zou verfrissend zijn voor de hele samenleving wanneer wij ons ontdoen van de doorgesleten clichés waarmee wij elkaar – en onszelf – bezien. Etnisch, religieus, sociaal, economisch, en politiek. Wie ben je werkelijk? Een linkse rakker, een Marokkaan, een hetero? Dat zegt toch niks meer.


donderdag 18 september 2014

OBAMA IS WEINIG OVERTUIGEND GEBLEKEN ALS ZWARTE PRESIDENT




Van Barack Obama koesterde ik bij het begin van zijn Amerikaans presidentschap hoge verwachtingen. In alle opzichten. Als inspirerende - retorisch begaafde - man, als "Change brenger", als kundig en authentiek staatsman voor het beslechten van wereldgeschillen, enzovoorts. Zijn Afro-Amerikaanse identiteit gaf hem in mijn ogen een extra grote plus.

Dat hij tevens opgezadeld zou zijn met weerbarstige erfenissen van zijn voorganger(s) was al bij zijn aantreden duidelijk. De afwikkeling van Irak (en Guantanamo Bay), de financiële crisis die een wereldwijde economische opschudding ('crisis') zou veroorzaken, met vergelijkbare dimensies - misschien niet de proporties - van de crisis die Roosevelt het hoofd moest bieden. En tenslotte de verdere etnische verzoening in de Verenigde Staten.

Op geen van deze terreinen heeft Obama verbluffende wapenfeiten weten te boeken. Het zat allemaal ook niet mee. Alleen al aan het eigen thuisfront niet. En als de ene crisis weer een beetje bedwongen is (nergens is ooit iets echt opgelost), springt een nieuw duveltje uit het doosje, bijvoorbeeld: de Islamitische Staat, na Al Qaeda. Inderdaad, tal van tegenslagen kunnen hem moeilijk als zodanig voor de voeten geworpen. Maar hoe heeft hij ze beantwoord?

Als ik van de wijze waarop Obama in brede zin de wereld tegemoet is getreden, moet ik toch zeggen dat zijn optreden zelden echt iets met mij heeft gedaan. Zijn stem en presentatie zijn doorgaans slaapverwekkend monotoon, steeds met de klanken van een schoolmeester, stellig nimmer opzwepend. Dat ten aanzien van zijn retoriek. 

Ik wil graag aannemen dat hij in zijn binnenlands beleid het beste ervan heeft proberen te maken. Ook lijkt mij dat in de Westerse wereld, ongeacht de presidenten, Amerika het land blijft waar werkelijke vooruitgang bedacht en gemaakt wordt. Voor Silicon Valley is het maar betrekkelijk belangrijk wie het Witte Huis bewoont, en zo verder.

Het algehele historisch getij is wereldwijd weerbarstig. Dat heeft mede te maken met de grote ongelukken van de afgelopen tien jaar. Economisch en militair-strategisch (m.n. de inval in Irak). Europa kent ook al ruim een decennium geen inspirerend leiderschap. Het wachten is op een periode van nieuwe leiders, maar die ligt nog in het verre verschiet.

Wie dit allemaal bij elkaar optelt, zou dus tot de slotsom kunnen komen, zoals ik doe, dat Obama om zijn presidentschap niet een diep spoor in de geschiedenis zal achterlaten. Hooguit als eerste zwarte president. Maar juist dat element vind ik van Obama nog wel het allerminst overtuigend. Hij is helemaal geen "zwarte president". Uit de zwarte cultuur kwam hij ook helemaal niet. Hij is zo wit als alle andere presidenten die hem zijn voorafgegaan.

Dat er goede grond is om Obama hogelijk te respecteren, blijft onverlet. Hij is standvastig, consistent, integer door en door. Alleen al met die gaven kom je als Amerikaans president een heel eind. Mijn voorspelling - al een tijd geleden gedaan - is dat Obama nog de kans zal krijgen zijn ding voor de wereld te doen. Op dezelfde wijze als Jimmy Carter heeft gedaan.

donderdag 4 september 2014

ONTWAPENING? NOOIT EN TE NIMMER





























Is de mensheid daadwerkelijk aan kill or be killed voorbij?


In de evolutie van planten en dieren is effectieve bewapening - ook (of: juist) onder veranderde omstandigheden - altijd doorslaggevend geweest. Biologen kunnen vertellen over het grote scala aan natuurlijke aanval- en afweermechanismen in alle flora en fauna, inclusief de mechanismen (en omstandigheden) van hun evolutie. 

Of het nu schubplaten op de rug zijn, zoals die van de Stegosaurus, het gif en de snelheid van slangen, flinke snijtanden en een krachtige kaak (Tyrannosaurus), de stekels van doornenstruiken, en zelfs de moordende kracht van het meest elementaire virus, zij alle zijn in de voortdurende opeenvolging van generaties de voorwaarden gebleken waaronder soorten konden blijven voortbestaan – en verder konden evolueren. Het is indrukwekkend dat tot de twee meest succesvolle diersoorten de haaien horen (enkele honderden miljoen jaren) en de krokodil, beide aan de top van hun voedselpiramide.

De evolutie van de mens bracht nieuwe wapens: behendigheid, aanpassingsvermogen en verstand. In onze naaktheid zijn wij zeer kwetsbare wezens, maar met de mogelijkheden van de natuur hebben wij ons de hele wereld toegeëigend. De grootste vijand is de mens voor zichzelf.

Gewapende strijd (ik bedoel: militaire wapens) tussen mensen heeft onze hele geschiedenis begeleid. Wij hebben het niet weten uit te bannen. In talloze brandhaarden bestrijden mensen elkaar op leven en dood. Zij doen het niet beter dan de meest primitieve diersoorten. De dood wordt zonder meedogen bruut rondgedeeld. Met tal van totaal onschuldige slachtoffers.

Wie onder deze – ongewijzigde – omstandigheden – pleit voor ontwapening heeft heel wat uit leggen. In realistische termen, bedoel ik. Ontwapenen? Nee, zeker niet. Maar juist dan rijst de vraag: welke wapens wij precies gebruiken om een ongewenste ontwikkeling duurzaam te keren, en zo nodig om onze wereld te ‘verdedigen’. Hulp kan ook een offensief zijn.

Welke wapens verschaffen ons eigen intellect, onze inventiviteit en onze humaniteit: de beschaving die wij propageren, de vooruitgang waarin wij geloven, de welvaart die wij mensen gunnen? Meer dan ooit zullen wij ons daarmee moeten wapenen. Ja zeker ook voor het juiste gebruik van militaire wapenen. 

Het valt in dit licht niettemin te betreuren dat in het internationale discours militaire bewapening nog steeds geldt als hoofdpunt van discussie. Vragen over de (rol van de) NAVO en van luchtaanvallen (VS) komen bij brandhaarden als de Oekraïne en Syrië eerder op dan enig ander wapenstelsel waarover wij beschikken.

dinsdag 2 september 2014

MINDER BANEN, MEER JOBS




Het oude sociale beleid loopt op zijn laatste benen

Mede onder druk van wereldwijde verschuivingen in de allocatie van taken of functies in uiteenlopende marktketens (van ontwerp en productie tot en met levering) transformeert ook de werkgelegenheid in ons eigen land. Desalniettemin hanteren wij in onze arbeidsverhoudingen nog steeds de concepten en regels van het naoorlogse tijdperk. Deze zijn gebaseerd op een strak onderscheid tussen werkgeversverant-woordelijkheden en die van werknemers. Een dienstverband, bij voorkeur voor onbepaalde tijd, geldt als onbetwiste norm. Dit werkt door in onze fiscale regels, in de aanspraken van individuele burgers op tal van voorzieningen, zelfs tot hun woonsituatie (huurders dienen als regel een arbeidscontract voor te leggen).

Wie onder deze omstandigheden wil overleven is gedwongen tot de status van dagloner (“zzp’er”) of te leven in het grijze gebied tussen fiscaal inkomen en zwart geld, ofwel in de informele economie. Officiële werkgelegenheidsstatistieken (inclusief aantallen ‘werklozen’) tonen allang niet meer de sociaal-economische werkelijkheid.

De politiek, inclusief de “linkse” partijen, gaan geheel aan de feitelijke ontwikkeling voorbij. Zelfs in de PvdA, hoeder van het arbeidsdenken, heerst – voor zover dit van buiten kan worden beoordeeld – complete radiostilte.

Is er werkelijk geen plek waar in deze tijd over de ontwikkeling van onze werkgelegenheid wordt nagedacht? Het valt moeilijk te geloven. Natuurlijk zijn die er. Ik denk vooral aan nieuwe ondernemingen die leven in de schaduw van het publieke bestel, wereldwijde netwerken van professionals met hun eigen technologie en innovatiekracht, ook in Nederland (denk aan de 3D printing sector, de Games industrie e.d.). Hun succes is afhankelijk van volledige arbeidsflexibiliteit. Werknemers zijn zelfstandige onder-nemers in wisselende groepen.

Het beeld ontstaat van een arbeidsmarkt waarin arbeidscontracten (of CAO’s), laat staan ‘vaste banen’ een uitstervende realiteit zijn. Het is niet moeilijk een ontwikkeling te voorzien waarin vaste dienstverbanden en vooropgestelde carrières hoge uitzondering worden. Hooguit zullen bedrijven en instellingen hun continuïteit veiligstellen met een vaste kern van professionals met wie “vaste afspraken” worden gemaakt, ook over hun verdere professionele ontwikkeling. Bijzondere contracten op maat dus, maar geen onbeperkte dienstverbanden. Vaste banen krijgen steeds meer het odium van een privilege zonder goede grond.

Het is in dit licht merkwaardig dat de uitzendbranche niet allang het hele leger van zzp’ers heeft omarmd. Zij zouden bij uitstek hun belangrijkste tussenpersoon moeten zijn. Hun kerntaak is ‘jobs’ en feitelijke ‘skills’ bijeen te brengen. De status van het ‘arbeidscontract’ is niet doorslaggevend.

De kern is dat arbeidszekerheid een illusie is. Alleen door up to date houden van onze eigen (professionele) kennis en vaardigheden creëren wij als individuele deelnemers aan de arbeidsmarkt enige ‘zekerheid’ over de continuïteit van onze eigen werkgelegenheid.

Op dezelfde voet veranderen ook de parameters voor inkomenspolitiek en sociale zekerheid. Die veranderingen vereisen een fundamentele herziening van het overheidsbeleid op alle fronten van ons welvaartsbestel. Opnieuw valt te betreuren hoezeer de politiek haar verantwoordelijkheid laat liggen. In plaats daarvan staat zij, met marktwerking als voornaamste excuus, een steeds meer toenemende kloof toe tussen de grootverdieners en de grote massa van loonslaven die in reële termen hun daadwerkelijke koopkracht stelselmatig hebben zien afkalven. Voor de immense inkomensverschillen in ons land bestaat geen goede grond, zelfs al gaat het bij de grootverdieners om een relatief kleine groep (maar wel met onevenredig grote macht).

Het omdenken van ons welvaartsbestel moet wel uitkomen bij een situatie waarin iedere Nederlandse burger een basisinkomen krijgt met daarnaast de automatische status als zzp’er waarmee hij (of zij) vrij is aanvullend (fiscaal) inkomen te verwerven. Mensen moeten zowel ondernemer als (tijdelijk) werknemer kunnen zijn. zonder onnodige juridische (of fiscale) complicaties.

Maar er zijn ook andere (gewenste) gevolgen. Deze betreffen het hele scala van opleidingsprofielen in MBO, HBO en universiteiten, de rol van beroepsorganisaties en beroepskwalificaties,de voorzieningen voor mensen die onvoldoende in staat blijken in aanvullend inkomen te voorzien (aangepaste bijstand en werkloosheidswetgeving) enzovoorts.

Alles bijeen mag de politiek zich voorbereiden op een integraal deltaplan voor inkomensbeleid en werkgelegenheid. Bepaald geen kinnesinne, en beslist geen zaak die zomaar op korte termijn in kaart kan worden gebracht. Maar de urgentie ervan neemt dagelijks toe.

zondag 31 augustus 2014

BABBELAARS ZIJN WIJ




Mensen zijn zelden nog geheel aanwezig in het gezelschap waarin zij verkeren. Wij staren allemaal bij voortduring naar ons schermpje met toetsen en knoppen, driftig vingerend naar berichtjes. Als onze gastheer (of gastvrouw) iets vertelt knikken wij plichtmatig ("uhu") en kijken zelfs niet op. Wat is het gezellig.

Wanneer whatsappen - of sms'en - wij niet? Wanneer laten we dat ding liggen, uitgeschakeld? Ja in de kerk of in de bioscoop en in gezelschap van mensen van wie wij iets bijzonders verwachten. Anders niet.

Niet als we met familie of vrienden zijn. Juist niet. Want precies in dat gezelschap willen wij graag laten merken hoe verbonden wij zijn met de wereld. Kijk eens hoeveel berichten ik krijg, hoeveel "friends" en likes en dergelijke. Wie communiceert is succesvol. Vergeet de normale sociale correctheid.



stay in touch, everybody 

babbel babbel babbel bibelebonse babbelaars 


Anders niet.

vrijdag 15 augustus 2014

GELUK WORDT TE DUUR BETAALD


WAARSCHUWING VAN EEN ROBOT




De ultieme perversie van de handhaving van de wet 

Wat voorafging:

Een spontaan privéfeestje loopt een beetje uit de hand. Dat wil zeggen: het wordt een beetje luidruchtig vrolijk, en het raam naar de straatzijde staat wijd open. Uit volle borst klinkt het “Bloed, zweet en tranen” van André Hazes. “Rot nu maar op!” wordt gezongen. Juist op dat moment arriveren twee politieagenten die hun kop naar binnen steken. Zij treffen een viertal mensen, waaronder een jonge vrouw, in kennelijke staat van plezier. De agenten spreken hierop de hoofdbewoner aan. “Jongens, wat voor verhaal zal ik vertellen?”, grapt de hoofdbewoner tegen zijn metgezellen. 

Het zijn jonge agenten. Ze nemen een strakke formele houding aan. “Hoe gaat u dit verklaren?” vraagt een van de agenten. Zij staan in het portaal. De agent projecteert een a priori houding van wantrouwen. 

“Dit zijn jonge mensen die elkaar na lange tijd weer zien en die veel plezier met elkaar hebben,” zegt de hoofdbewoner. De agent reageert vol ongeloof: “Is dat uw verhaal?” Hij verwijst naar de opmerking die hij opving (“wat voor verhaal?....”). De hoofdbewoner antwoordt: “Dat is het verhaal. En overigens kan iedereen hier over dezelfde waarheid verschillende verhalen vertellen.” De agent blijft ongelovig kijken, bijna neerbuigend. De hoofdbewoner, een man van middelbare leeftijd, is klein van stuk. “Ik besef dat het wat luidruchtig was,” verontschuldigt hij zich nog, “mijn excuses daarvoor”. 

De agenten lopen door het portaal naar de woonkamer waar het gehele gezelschap zich bevindt. Zij horen van een van de aanwezigen in nagenoeg identieke bewoordingen dezelfde verklaring die de hoofdbewoner had gegeven. 

De agent die het woord voert (de andere blijft geheel op de achtergrond) blijft stram kijken, met kennelijke afschuw voor het partijtje waarvan hij getuige is. Zijn ogen drukken onbegrip uit en irritatie, bijna alsof hij het hele gezelschap liefst wil inrekenen en bestraffen. Er heerst het type vrolijkheid dat al zijn stekels opzet. Dit is niet in orde, zo lijkt hij te denken. 

Verkrampt geeft de agent de hoofdbewoner diens paspoort terug, en met een opgezette donderstem: “U krijgt een waarschuwing”. 

Ach natuurlijk, zo erg was het ook niet. Simpel burengerucht. Dat is het enige. Het type burengerucht waarvoor oom agent vroeger met een vriendelijke tik op de pet zou zeggen: ”Meneer, kan het zachter?” Ja natuurlijk, agent, sorry. Maar niet deze agent. Van enigerlei vriendelijkheid was geen sprake. Het leek wel alsof ieder spoor van menselijkheid uit zijn hoofd was weg gesloopt. Is dat de politieopleiding? 

Deze agent was duidelijk niet in staat een onschuldig voorval te onderscheiden van enigerlei daadwerkelijk, moedwillig handelen. Hij vertoonde een stram autoriteitsgedrag dat in de gegeven situatie volkomen misplaatst was. 

Wie op deze manier wordt geconfronteerd met Nederlandse politieagenten moet wel geloven dat de gehele wetshandhaving vandaag is gebaseerd op volstrekte miskenning en onmiskenbare minachting van de gewone Nederlandse burger.